Financieringswet voor KMO’s aangepast na evaluatie

Wet houdende wijziging van de wet van 21 december 2013 betreffende diverse bepalingen inzake de financiering voor kleine en middelgrote ondernemingen

Een evaluatie van de ‘wet van 21 december 2013 over de financiering voor KMO’s’, en de daaraan verbonden gedragscode, heeft een aantal verbeterpunten aan het licht gebracht.
De wet van 21 december 2017 biedt een oplossing voor enkele problemen die tijdens deze evaluatie werden vastgesteld. Ze actualiseert daarom de ‘wet over de financiering voor KMO’s’. Ze treedt grotendeels in werking op 8 januari 2018.

Evaluatie

De Financieringswet voor KMO’s – van kracht sinds 10 januari 2014 – werd geëvalueerd in overeenstemming met de voorschriften van het ‘KB van 10 april 2016 tot bepaling van de nadere regels voor de evaluatie bedoeld in artikel 14 van de Financieringswet voor KMO’s’. Net als de gedragscode die in uitvoering van de Financieringswet werd afgesloten tussen de representatieve werkgeversorganisaties die de belangen van de KMO’s behartigen (Unizo en UCM) en de representatieve organisatie van de kredietsector. Het KMO-Observatorium van de FOD Economie kreeg de leiding over de bevraging bij zo’n 10.000 KMO’s.
Daarnaast werd er bij het onderzoek ook rekening gehouden met:
  • de cijfers van de Nationale Bank van België over de kredieten verleend aan de ondernemingen, net als de statistieken van de ombudsman in financiële geschillen (OMBUDSFIN) over de verleende kredieten;
  • het verslag gemaakt door de Belgische Federatie van de Financiële Sector ‘Febelfin’, voor wat betreft de kredietbemiddelaars en kredietgevers;
  • het verslag gemaakt door de FSMA van de vaststellingen gedaan bij de uitoefening van het toezicht op de sector, en de standpunten die daaruit voortvloeien;
  • het voorafgaande advies van de FSMA, de Nationale Bank van België, de ombudsman in financiële geschillen OMBUDSFIN en van de organisaties van de middenstand.
De wet van 21 december 2017 past de Financieringswet voor KMO’s aan op volgende vlakken:
  • wijziging van het begrip ‘onderneming’;
  • verduidelijking van het toepassingsgebied van de Financieringswet voor KMO’s;
  • verstrekken van een schriftelijke toelichting bij de kredietaanvraag door de kredietgever of kredietbemiddelaar (in het kader van de informatieplicht);
  • zekerheden en waarborgen;
  • verhoging van het oorspronkelijke kredietbedrag waarboven de wederbeleggingsvergoeding contractueel mag vastgelegd worden;
  • gedragscode;
  • burgerlijke sancties;
  • onrechtmatige bedingen, en
  • het toezicht door de FSMA.

Begrip ‘onderneming’

De wet van 21 december 2017 wijzigt het begrip ‘onderneming’ om rekening te houden met:
  • de integratie in het Wetboek van economisch recht van de ‘wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming’, en
  • ‘de wet van 2 augustus 2002 betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen’.
Met ‘onderneming’ wordt nu in de Financieringswet voor KMO’s’ bedoeld: “de onderneming bedoeld in artikel I.1, 1° van het Wetboek van economisch recht, die op het ogenblik van de kredietaanvraag beantwoordt aan de van toepassing zijnde criteria vastgesteld in artikel 15, §§ 1 tot en met 6 van het Wetboek van vennootschappen.”.
Deze nieuwe definitie preciseert nu dus ook dat de onderneming moet voldoen aan de voorwaarden vastgelegd in artikel 15, §§ 1 tot en met 6 van het W.Venn. Dat betekent onder meer dat, indien een kredietovereenkomst is gesloten met één of meer ondernemingen die deel uitmaken van een groep verbonden ondernemingen, een dergelijk krediet enkel onderworpen zal zijn aan de huidige wetgeving als de groep van ondernemingen op geconsolideerde basis voldoet aan de criteria van een kleine vennootschap.

Toepassingsgebied

De Financieringswet voor KMO’s is niet van toepassing op de kredietovereenkomsten afgesloten met meerdere medekredietnemers, als minstens één van de medekredietnemers een onderneming is die op het ogenblik van de kredietaanvraag niet beantwoordt aan de van toepassing zijnde criteria vastgesteld in artikel 15, §§ 1 tot en met 6 van het Wetboek van vennootschappen.

Schriftelijke toelichting bij kredietaanvraag

De kredietgevers en de kredietbemiddelaars moeten nu de onderneming, op het moment van de kredietaanvraag, een schriftelijke toelichting verstrekken die de verschillende kredietvormen bevat die mogelijk aangepast zijn aan de onderneming. De toelichting omvat in elk geval de belangrijkste kenmerken van de kredietvormen die mogelijk aangepast zijn aan de onderneming en de specifieke gevolgen hieraan verbonden voor de onderneming. De schriftelijke toelichting vermeldt eveneens de naam en het adres van het bevoegd orgaan (aangeduid overeenkomstig art. 8, tweede lid, 2°, wet van 22 maart 2006 betreffende de bemiddeling in banken beleggingsdiensten en de distributie van financiële instrumenten).
De kredietgevers en de kredietbemiddelaars verstrekken de onderneming, op het moment van de kredietaanvraag, de informatie en de nuttige instrumenten om de toegang tot financiering voor ondernemingen te verbeteren, op de wijze bepaald in de gedragscode.
Aan de onderneming wordt, op het moment van het kredietaanbod en kosteloos, een exemplaar van de ontwerpkredietovereenkomst verstrekt.
Als de kredietgever de toekenning van het krediet onderwerpt aan de vestiging van een zekerheid of een waarborg door een derde, dan kan deze derde op eerste verzoek en kosteloos een kopie van de ontwerpkredietovereenkomst opvragen.
Bij de ontwerpkredietovereenkomst wordt op dezelfde drager, een summier informatiedocument gevoegd, waarvan de inhoud wordt bepaald door de gedragscode.
Bovenstaande regels (nieuw art. 7, Financieringswet voor KMO’s) zijn niet van toepassing indien de kredietgever op het moment van de aanvraag niet voornemens is de kredietovereenkomst met de onderneming aan te gaan.
Deze regels zijn ook niet van toepassing op kredieten voor een bedrag van minder dan 25.000 euro, voor zover die geen clausule bevatten die een wederbeleggingsvergoeding vaststelt en niet het voorwerp uitmaken van zekerheden of waarborgen, onverminderd het recht van de onderneming om te allen tijde het verschuldigd kapitaalsaldo geheel of gedeeltelijk vervroegd terug te betalen.
Opgelet ! Bovenstaande regeling treedt in werking op de datum die de Koning bepaalt en uiterlijk op 1 maart 2018.

Zekerheden en waarborgen

Als de kredietgever de toekenning van het krediet onderwerpt aan de vestiging van een zekerheid of een waarborg, informeren de kredietgever en de kredietbemiddelaar de onderneming over de belangrijkste kenmerken van deze zekerheid of waarborg en de impact ervan op de kredietaanvraag. Dit moet gebeuren op transparante wijze en in voor de onderneming verstaanbare bewoordingen, hetzij schriftelijk, hetzij mondeling. Deze bepaling doet geen afbreuk aan de contractuele vrijheid van de kredietgever.
Onverminderd de artikelen 2043bis tot 2043octies van het Burgerlijk Wetboek (over de kosteloze borgtocht, die de borg in bepaalde gevallen toelaten de opheffing van de verbintenis te bekomen), kan de onderneming of elke derde die een zekerheid of een waarborg ter garantie van het krediet gevestigd heeft, de volledige of gedeeltelijke vrijgave van de zekerheid of de waarborg vragen. Het krediet moet volledig of gedeeltelijk terugbetaald zijn vooraleer een vrijgave van de zekerheid of waarborg gevraagd kan worden.
Ingeval van weigering informeren de kredietgever en de kredietbemiddelaar de onderneming of de belanghebbende derde schriftelijk over de belangrijkste elementen waarop die weigering gebaseerd is of die de risico-inschatting beïnvloed hebben, en dat op een transparante wijze en in voor de onderneming verstaanbare bewoordingen.
De kredietgever en de kredietbemiddelaar informeren de onderneming schriftelijk, op het moment van de kredietaanvraag, over de mogelijkheden tot het bekomen van overheidsgaranties op de wijze bepaald in de gedragscode.
Opgelet ! Bovenstaande regeling treedt in werking op de datum die de Koning bepaalt en uiterlijk op 1 maart 2018.

Verhoging kredietbedrag waarboven wederbeleggingsvergoeding contractueel mag vastgelegd worden

De wet van 21 december 2017 verhoogt het oorspronkelijke kredietbedrag waarboven de wederbeleggingsvergoeding contractueel mag vastgelegd worden tussen de kredietgever en de ondernemer van 1 miljoen euro naar 2 miljoen euro. Het bedrag van de wederbeleggingsvergoeding mag in geen geval hoger mag zijn dan het bedrag berekend volgens de berekening vermeld in de gedragscode.
Er is geen enkele vergoeding verschuldigd in geval van wijziging van de kredietgerelateerde waarborgen en zekerheden. Dit verbod is enkel geldig voor zover de kredietovereenkomst niet wordt beëindigd.

Gedragscode

De representatieve interprofessionele organisaties die de belangen van de KMO's behartigen en de representatieve organisatie van de kredietsector worden ermee belast binnen drie maanden na de inwerkingtreding van de Financieringswet voor KMO’s, of van haar opeenvolgende wijzigingen, in onderling overleg een gedragscode uit te werken.
Voordien begon de termijn van drie maand waarvan sprake te lopen bij de publicatie van de wet.
Voortaan moeten ook de bepalingen en verplichtingen betreffende de informatie en de nuttige instrumenten bedoeld om de toegang tot financiering van de onderneming te verbeteren (zoals bedoeld in art. 7, § 1, tweede lid, Financieringswet voor KMO’s), én de mogelijkheden tot het bekomen van overheidsgaranties (zoals voorzien in art. 8/1, § 3, Financieringswet voor KMO’s) verplicht in de gedragscode voorkomen.

Burgerlijke sancties

De rechter bepaalt, in geval van inbreuk op artikel 9, § 2, tweede lid van de Financieringswet voor KMO’s en als artikel 1907bis van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing is, ex aequo et bono de vergoeding die volgens de modaliteiten verschuldigd is. Deze vergoeding mag niet hoger mag zijn dan het resultaat van de berekening hiertoe voorzien in de gedragscode.

Onrechtmatig beding

De wet van 21 december 2017 voegt een nieuw onrechtmatig beding in, naar aanleiding van de vaststelling, tijdens de evaluatie van de wet, van het bestaan van clausules die de kredietgever toelaten bepaalde elementen van de kredietovereenkomst eenzijdig te wijzigen, ten nadele van de onderneming.
Voortaan zijn in de kredietovereenkomsten gesloten tussen een kredietgever en een onderneming in elk geval onrechtmatig, de bedingen en voorwaarden of de combinaties van bedingen en voorwaarden die ertoe strekken “het recht voor te behouden aan de kredietgever om eenzijdig ten nadele van de onderneming de daadwerkelijk toegepaste interesten, kosten, provisies of andere vergoedingen te wijzigen, anders dan op basis van specifieke en objectieve criteria die uitdrukkelijk in de kredietovereenkomst opgenomen zijn en mits een redelijke opzegtermijn”.

Toezicht door FSMA

De wet van 21 december 2017 breidt ook de bevoegdheid van de FSMA uit tot de controle op de naleving van artikel 9 van de Financieringswet voor KMO’s over de vervroegde terugbetaling.
De FSMA komt echter niet tussen in de relatie tussen partijen. Geschillen tussen de kredietgever en de onderneming vallen uitsluitend onder de bevoegdheid van de hoven en rechtbanken.

In werking

De wet van 21 december 2017 treedt grotendeels in werking op 8 januari 2018.
Ze is van toepassing op de kredietovereenkomsten die gesloten worden vanaf 8 januari 2018.
De artikelen 4 (schriftelijke toelichting) en de artikelen 5 en 6 (zekerheden en waarborgen) ervan treden in werking op de datum die de Koning bepaalt en uiterlijk op 1 maart 2018.
Bron: Wet van 21 december 2017 houdende wijziging van de wet van 21 december 2013 betreffende diverse bepalingen inzake de financiering voor kleine en middelgrote ondernemingen, BS 29 december 2017.
Zie ook:
Koninklijk Besluit van 10 april 2016 tot bepaling van de nadere regels voor de evaluatie bedoeld in artikel 14 van de wet van 21 december 2013 betreffende diverse bepalingen inzake de financiering voor kleine en middelgrote ondernemingen, BS 14 april 2016.
Wet van 21 december 2013 betreffende diverse bepalingen inzake de financiering voor kleine en middelgrote ondernemingen, BS 31 december 2013; err., BS 17 april 2014.
Christine Van Geel
Wolters Kluwer
  745