Financiering ‘College van Toezicht op de Bedrijfsrevisoren’ en sanctiecommissie FSMA

Een koninklijk besluit van 25 december 2017 heeft de maximumgrens vastgelegd voor de som van de begroting van het nieuwe ‘College van Toezicht op de Bedrijfsrevisoren’ én de werkingskosten van de sanctiecommissie van de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten (FSMA).

Hervorming beroep van en publiek toezicht op bedrijfsrevisoren

De wet van 7 december 2016 hervormde het beroep van de bedrijfsrevisoren. Ze bevat ook nieuwe regels voor het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren. Zowel de regels over het beroep als de toezichtsregels zijn sinds 31 december 2016 van toepassing.

De verantwoordelijkheid voor de kwaliteitscontrole van en het toezicht op de bedrijfsrevisoren werd verplaatst van ‘Kamer van Verwijzing en Instaatstelling’ naar het nieuwe ‘College van Toezicht op de Bedrijfsrevisoren’, dat werd opgericht bij de wet van 7 december 2016 (art 32).

De sanctiecommissie van de FSMA is bevoegd voor het opleggen van administratieve maatregelen en geldboetes aan de bedrijfsrevisoren (art. 58 en art. 59, wet van 7 december 2016) als zij een inbreuk vaststelt op de toepasselijke wettelijke, reglementaire en normatieve bepalingen.

Maximale begrotingsgrens

De maximale begrotingsgrens voor de som van het bedrag van de begroting van het nieuwe ‘College van Toezicht op de Bedrijfsrevisoren’ en van het bedrag van de werkingskosten van de sanctiecommissie van de FSMA voor het opleggen van administratieve maatregelen en geldboetes (art. 59, wet van 7 december 2016), met uitzondering van de uitzonderlijke kosten, mag niet meer bedragen dan 2.800.000 euro per jaar.

Deze maximale begrotingsgrens wordt jaarlijks op 31 december verhoogd met een bedrag dat overeenstemt met de proportionele verhoging van de bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen van de personeelsleden van de FSMA die bijdragen tot de uitoefening van de door de wet bepaalde bevoegdheden, die voortvloeit uit de aanpassing (incl. de baremaverhogingen) van de bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen van die personeelsleden.

Bovendien wordt deze maximale begrotingsgrens jaarlijks op 31 december, en voor het eerst op 31 december 2017, aangepast aan de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen tijdens het afgelopen boekjaar. Het in aanmerking genomen referentie-indexcijfer is dat van de maand december.

Dekking werkingskosten College en sanctiecommissie

De werkingskosten van het ‘College van Toezicht op de Bedrijfsrevisoren’, de werkingskosten van de sanctiecommissie van de FSMA voor het opleggen van de administratieve maatregelen en geldboetes, alsook de uitzonderlijke kosten, worden gedekt door de bijdragen van de bedrijfsrevisoren, de in België geregistreerde auditkantoren en de in België geregistreerde auditors en auditorganisaties van derde landen.

Jaarlijkse globale bijdrage

Het Instituut van de Bedrijfsrevisoren (IBR) betaalt jaarlijks een globale bijdrage waarvan het bedrag overeenstemt met de som van het bedrag van de werkingskosten van het College, zoals dat voortvloeit uit de begroting die het College vaststelt (art. 40, 5°, wet van 7 december 2016), en het bedrag van de raming van de werkingskosten van de sanctiecommissie voor het opleggen van de administratieve maatregelen en geldboetes (art. 59, wet van 7 december 2016).

De FSMA vraagt de betaling van de globale bijdrage uiterlijk op 31 januari op.

De globale bijdrage wordt in vier gelijke schijven gestort, die respectievelijk op uiterlijk 31 maart, 30 juni, 30 september en 31 december van het betrokken jaar worden betaald.

Werkingsoverschot

De FSMA betaalt het werkingsoverschot aan het IBR terug. Het werkingsoverschot is het positieve verschil tussen de globale bijdrage voor een bepaald boekjaar en de som van de werkelijke kosten voor dat boekjaar, zoals die op basis van het ‘verslag van de werkelijke kosten’ kan worden bepaald.

Uitzonderlijke kosten

De eventuele uitzonderlijke kosten worden gedekt door één of meer uitzonderlijke bijdragen die aan het IBR worden gevraagd.

Bijdragen bedrijfsrevisoren

Het IBR slaat de globale of uitzonderlijke bijdragen om over de bedrijfsrevisoren, de in België geregistreerde auditkantoren en de in België geregistreerde auditors en auditorganisaties van derde landen. Dit in verhouding tot de bijdragen die, voor de financiering van zijn werkingskosten, aan het IBR zijn betaald door de bedrijfsrevisoren, de in België geregistreerde auditkantoren en de in België geregistreerde auditors en auditorganisaties van derde landen, als bepaald door de uitvoeringsmaatregelen die zijn genomen ingevolge artikelen 26 en 65 van de wet van 7 december 2016.

Het IBR bepaalt de modaliteiten voor de inning van de individuele bijdragen van de bedrijfsrevisoren, de in België geregistreerde auditkantoren en de in België geregistreerde auditors en auditorganisaties van derde landen.

Het IBR is verantwoordelijk voor het innen en betalen van de bijdragen van de bedrijfsrevisoren.

Verslag werkelijke kosten

De FSMA stuurt het IBR voor elk boekjaar een verslag met daarin de werkelijke kosten van het afgelopen boekjaar. Dat verslag bevat minstens:

  • de personeelskosten;
  • de indirecte kosten per personeelslid;
  • de werkingskosten van het College en van de sanctiecommissie voor het opleggen van de administratieve maatregelen en geldboetes (art. 59, wet van 7 december 2016);
  • de advocatenkosten;
  • de kosten voor het beroep dat bij inspecties op externe deskundigen wordt gedaan;
  • de kosten in het kader van de Europese en de internationale samenwerking;
  • het eventuele werkingsoverschot of -tekort.

De personeelsleden van de FSMA die bijdragen tot de uitoefening van de bevoegdheden bepaald door de wet van 7 december 2016, uitgedrukt in voltijdse equivalenten, worden niet in aanmerking genomen bij de berekening van het maximumaantal operationele personeelsleden van de FSMA, uitgedrukt in voltijdse equivalenten (zoals gedefinieerd in art. 2, 1°, KB van 17 mei 2012).

Voor de vergoeding van de werkingskosten van de FSMA (art. 4, KB van 17 mei 2012) wordt het bedrag van de werkingskosten van de FSMA die ontstaan bij de uitoefening van de bevoegdheden krachtens de wet, opgenomen in de begroting die door de Raad van toezicht wordt vastgesteld (met toepassing van art. 48, § 1, eerste lid, 4°, wet van 2 augustus 2002), en afgetrokken van de globale bijdrage.

In werking

Het KB van 25 december 2016 treedt in werking op 23 januari 2017, de dag van zijn publicatie in het Belgisch Staatsblad.

Bron:Koninklijk besluit van 25 december 2016 over de maximale begrotingsgrens en over de dekking van de werkingskosten voor het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren, BS 23 januari 2017.
Zie ook: – Wet van 7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren, BS 13 december 2016 (art. 3, art. 40, 5° en 6°, art. 48, § 1, eerste lid, 4° en art. 59) – Koninklijk besluit van 16 januari 2017 tot benoeming van leden van het Comité van het College van toezicht op de bedrijfsrevisoren, BS 20 januari 2017. – Koninklijk besluit van 25 december 2016 betreffende de bezoldiging van de voorzitter van het Comité van het College van Toezicht op de Bedrijfsrevisoren en betreffende het presentiegeld van het lid, dat niet de voorzitter is, van het Comité van het College van Toezicht op de Bedrijfsrevisoren als bedoeld in artikel 35, eerste lid, 3° of 4° van de wet van 7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren, BS 16 januari 2017. – Koninklijk besluit van 17 mei 2012 betreffende de vergoeding van de werkingskosten van de FSMA ter uitvoering van artikel 56 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, BS 21 juni 2012 (art. 2, 1° en art. 4)

Christine Van Geel

Koninklijk besluit over de maximale begrotingsgrens en over de dekking van de werkingskosten voor het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren

Afkondigingsdatum : 25/12/2016
Publicatiedatum : 23/01/2017

Gepubliceerd op 30-01-2017

  232