Federale richtlijnen voor invulling beperkte detentie en elektronisch toezicht tijdens internering

Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 41, § 1, tweede lid, van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering teneinde de concrete invulling van het programma van de beperkte detentie en het elektronisch toezicht te bepalen

De gemeenschappen zijn verantwoordelijk voor de concrete invulling van de beperkte detentie en het elektronisch toezicht tijdens de internering. Maar helemaal vrij zijn ze daar niet in. Er is het algemene programma van de Kamer voor de bescherming van de maatschappij waar ze rekening mee moeten houden én er zijn nu ook een aantal minimumvoorschriften van de federale regering.
 
 

Beperkte detentie en elektronisch toezicht bij internering

De Kamer voor de Bescherming van de Maatschappij (KBM) kan geïnterneerden een ‘beperkte detentie’ of ‘elektronisch toezicht’ toekennen. Bij beperkte detentie kunnen geïnterneerden de inrichting waar ze verblijven verlaten om te gaan werken, een opleiding te volgen of begeleiding te krijgen. Bij elektronisch toezicht ondergaat de betrokkene de aan hem opgelegde maatregel buiten de inrichting met een enkelband.

Gemeenschappen aan zet

De KBM bepaalt het algemene programma van zowel de beperkte detentie als het elektronisch toezicht. De concrete uitwerking ervan vormt echter een taak van ‘de bevoegde diensten van de gemeenschappen en in voorkomend geval de dienst voor het elektronisch toezicht’. Zoals de Vlaamse justitiehuizen en het Vlaams Centrum Elektronisch Toezicht.
Vroeger was dit een taak van de federale justitieassistenten en het Nationaal Centrum voor elektronisch toezicht. Maar met de zesde Staatshervorming werden de bevoegdheden van de justitiehuizen overgedragen naar de gemeenschappen. Het elektronisch toezicht is betrokken bij deze overheveling. Het gaat hier om een gedeelde bevoegdheid waarvan de dagelijkse effectieve begeleiding vorm krijgt op basis van een samenwerkingsakkoord tussen de gemeenschappen.

Federale voorschriften

De gemeenschappen hebben een ruime bevoegdheid wat die concrete uitwerking betreft. Maar zullen zich voortaan toch aan een reeks federale voorschriften moeten houden. Van dit KB werd werk gemaakt na de inwerkingtreding van de nieuwe Interneringswet op 1 oktober 2016.
Maar waarover gaat het precies?
Wat betreft de beperkte detentie geldt het volgende:
  • het uurrooster: de bevoegde gemeenschapsdienst is verantwoordelijk voor het opstellen van het uurrooster, maar is verplicht om hier vooraf over te overleggen met de gevangenisdirecteur of de directeur van de verblijfsinrichting van de geïnterneerde (of hun afgevaardigde) of in voorkomend geval de verantwoordelijke voor de zorg. Ze moeten daarbij rekening houden met het algemene programma van de KBM en eventuele individuele voorwaarden die werden opgelegd aan de geïnterneerde. In elk geval moet het uurrooster precies aangeven wanneer de geïnterneerde in de inrichting moet zijn en wanneer hij die mag verlaten;
  • standaardinstructies bij uitvoering: de concrete uitvoering van het programma is gebonden aan standaardinstructies. In dat document moeten minimum volgende punten worden behandeld:
    • er moet een overzicht zijn van de na te leven richtlijnen indien het uurrooster door problemen of onvoorziene omstandigheden niet kan worden nageleefd;
    • het feit dat de directeur of in voorkomend geval de verantwoordelijke voor de zorg de geïnterneerde aan de verplichting om het uurrooster na te leven moet herinneren wanneer er een overtreding werd vastgesteld en dat die de KBM, het openbaar ministerie en de bevoegde gemeenschapsdienst moet inlichten over de niet-naleving.
Bij de invulling van het elektronisch toezicht zijn de beperkingen nog iets strikter:
  • uurrooster: de bevoegde gemeenschapsdienst en in voorkomend geval de dienst bevoegd voor elektronisch toezicht, stelt het uurrooster op conform het algemene programma van de KBM en eventuele individuele voorwaarden. Het rooster geeft aan wanneer de geïnterneerde aanwezig moet zijn op het opgeven adres, wanneer hij afwezig moet zijn voor bepaalde activiteiten ter uitvoering van het programma en wanneer hij afwezig mag zijn voor vrije uren;
  • de standaardinstructies verbonden aan de uitvoering van het programma behandelen onder meer
    • de technische vereisten die nodig zijn voor de uitvoering en de controle van de intrinsieke regels van het elektronisch toezicht;
    • de telefonische bereikbaarheid van de geïnterneerde en de mededeling dat iedere wijziging van telefoonnummer aan de bevoegde gemeenschapsdienst (of dienst voor elektronisch toezicht) moet worden gemeld;
    • de na te leven richtlijnen met betrekking tot de plaatsing, de handhaving en de teruggave van het toezichtmateriaal;
    • de na te leven richtlijnen indien het uurrooster door problemen of onvoorziene omstandigheden niet kan worden nageleefd;
    • de procedure bij niet-naleving van het uurrooster zoals bij beperkte detentie.

In werking: 14 oktober 2017 (10 dagen na publicatie)

Bron: Koninklijk besluit van 28 september 2017 tot uitvoering van artikel 41, § 1, tweede lid, van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering teneinde de concrete invulling van het programma van de beperkte detentie en het elektronisch toezicht te bepalen, BS 4 oktober 2017.
Zie ook
Wet van 4 mei 2016 houdende internering en diverse bepalingen inzake Justitie, BS 13 mei 2016.
Laure Lemmens
Wolters Kluwer
  289