Europa wil meer duurzame biobrandstoffen

De Europese Unie wil dat de lidstaten meer investeren in biobrandstoffen die niet in concurrentie komen met voedingsgewassen. Met haar richtlijn 2015/1513 drijft de Unie ook de broeikasgasemissiereducties op voor nieuwe productie-installaties.

Meer biobrandstoffen uit algen, stro of afval

Het ziet ernaar uit dat de volledige productie aan biobrandstoffen momenteel komt van teelten die groeien op gronden die gebruikt kunnen worden voor voedselproductie. Europa wil dan ook dat de lidstaten meer investeren in biobrandstoffen die afkomstig zijn van algen, stro of afvalstoffen, en minder in biobrandstoffen die afkomstig zijn van olie- of suikerhoudende gewassen, granen en andere zetmeelhoudende gewassen.

Zo krijgen de lidstaten de mogelijkheid om de emissiereducties die gerealiseerd worden door biobrandstoffen uit granen en aanverwante, minder gewicht te geven bij de berekening van de totale emissiereducties.

De Europese Commissie krijgt dan weer de gelegenheid om standaardwaarden op te leggen voor de doorrekening van bepaalde reducties, en om de lijst met grondstoffen die dubbel doorgerekend mogen worden, aan te passen. Op die lijst staan: algen, de biomassafractie van gemengd stedelijk afval, bioafval van particuliere huishoudens, stro, dierlijke mest en zuiveringsslib, effluenten van palmoliefabrieken en palmtrossen, ruwe glycerine, notendoppen, maïskolven, enz.

Meer duurzame biobrandstoffen

Als we de vooropgestelde emissiereducties voor 2020 willen behalen, dan zullen we een tandje moeten bijsteken. Vandaar dat de duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen strenger worden. Om van een biobrandstof te kunnen spreken, moet de brandstof afkomstig zijn uit plantaardig of dierlijk materiaal, en moet er een CO2-emissiereductie gerealiseerd worden van ten minste 35% in vergelijking met een klassieke fossiele brandstof. Er was al bepaald dat dit percentage op 1 januari 2017 zou opgetrokken worden tot 50%, en op 1 januari 2018, tot 60%.

Europa beslist nu om het hoogste reductiepercentage van 60% onmiddellijk van toepassing te maken op alle installaties die na 5 oktober 2015 van start gaan met de productie van biobrandstoffen.

Met het oog op 2020

De Unie past daartoe de Brandstoffenkwaliteitsrichtlijn en de Hernieuwbare-Energierichtlijn aan. Volgens de Hernieuwbare-Energierichtlijn moet de vervoerssector tegen het jaar 2020 voor minstens 10% gebruikmaken van hernieuwbare energie. En volgens de Brandstoffenkwaliteitsrichtlijn moet diezelfde vervoerssector tegen 2020 een emissiereductie van minstens 6% realiseren op haar brandstoffen. Verwacht wordt dat het grootste deel van die reductie gerealiseerd zal worden door gebruik te maken van biobrandstoffen.

Richtlijn 2015/1513 treedt in werking op 5 oktober 2015, maar de lidstaten krijgen tijd tot 10 september 2017 om de richtlijn om te zetten in nationaal recht.

Bron:Richtlijn (EU) 2015/1513 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 tot wijziging van Richtlijn 98/70/EG betreffende de kwaliteit van benzine en dieselbrandstof (Brandstoffenkwaliteitsrichtlijn) en tot wijziging van Richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (Hernieuwbare-energierichtlijn), Pb.L. 15 september 2015, afl. 239.

Carine Govaert

Richtlijn (EU) nr. 2015/1513 van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 98/70/EG betreffende de kwaliteit van benzine en dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen

Afkondigingsdatum : 09/09/2015
Publicatiedatum : 15/09/2015

Gepubliceerd op 17-09-2015

  76