Europa legt regels vast voor de strafrechtelijke bestrijding van het witwassen van geld

Richtlijn (EU) nr. 2018/1673 van het Europees Parlement en de Raad inzake de strafrechtelijke bestrijding van het witwassen van geld

Een nieuwe Europese richtlijn legt minimumvoorschriften vast voor de definitie van ‘strafbare feiten’ (delicten) en ‘sancties’ op het vlak van het witwassen van geld.

De lidstaten moeten uiterlijk op 3 december 2020 aan deze nieuwe richtlijn (EU) 2018/1673 voldoen.

Criminele activiteit

De nieuwe richtlijn definieert een ‘criminele activiteit’ (die een basisdelict vormt voor het witwassen van geld) als:
“iedere vorm van criminele betrokkenheid bij het plegen van een strafbaar feit dat overeenkomstig het nationale recht strafbaar is gesteld met een maximale vrijheidsstraf of detentiemaatregel van meer dan 1 jaar,
of,
voor lidstaten die in hun rechtsstelsel een strafminimum voor strafbare feiten kennen, een strafbaar feit dat strafbaar is gesteld met een minimale vrijheidsstraf of detentiemaatregel van meer dan 6 maanden.”.

De richtlijn bevat een lange lijst van categorieën waarin strafbare feiten als ‘criminele activiteit’ worden aangemerkt (art. 2, richtlijn (EU) 2018/1673).
Daartoe behoren onder meer de categorieën:
  • terrorisme;
  • illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen;
  • corruptie;
  • fraude;
  • fiscale misdrijven met betrekking tot directe en indirecte belastingen, zoals neergelegd in het nationale recht;
  • handel met voorkennis en marktmanipulatie;
  • cybercriminaliteit;
  • enz.

De lidstaten moeten ervoor zorgen dat alle strafbare feiten waarop een gevangenisstraf staat waarvan de duur bij de nieuwe richtlijn is bepaald, als basisdelicten voor het witwassen van geld worden beschouwd.

Witwasdelicten

De nieuwe richtlijn stelt vast welke delicten in de lidstaten als witwasdelicten moeten worden beschouwd.

De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de volgende gedragingen strafbaar worden gesteld als er sprake is van opzet:
  • de omzetting of overdracht van voorwerpen, wetende dat deze uit een criminele activiteit zijn verkregen, met het oogmerk de illegale herkomst ervan te verhelen of te verhullen of met het oogmerk een bij een dergelijke activiteit betrokken persoon te helpen aan de rechtsgevolgen van zijn daden te ontkomen;
  • het verhelen of verhullen van de werkelijke aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing, rechten op of de eigendom van voorwerpen, wetende dat deze uit een criminele activiteit zijn verkregen;
  • de verwerving, het bezit of het gebruik van voorwerpen, wetende, op het tijdstip van ontvangst, dat deze uit een criminele activiteit zijn verkregen.

De lidstaten kunnen de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat bovenstaande gedragingen strafbaar worden gesteld als de dader vermoedde of had moeten weten dat het voorwerp uit criminele activiteiten was verkregen.

Tot slot verplicht de nieuwe richtlijn de lidstaten ook om bepaalde soorten witwasactiviteiten strafbaar te stellen wanneer die worden verricht door de pleger van de criminele activiteit waarmee het voorwerp is verkregen (‘self-laundering’). De verplichting tot strafbaarstelling van ‘self-laundering’ is beperkt tot omzetting of overdracht en verhelen of verhullen van voorwerpen en niet van toepassing op enkel bezit of gebruik.

Medeplichtigheid, uitlokking en poging

Europa verplicht de lidstaten tot het strafbaar stellen van medeplichtigheid aan, uitlokking van en poging tot het plegen van witwasdelicten.

Sancties voor natuurlijke personen

De lidstaten moeten maatregelen treffen zodat de witwasdelicten en medeplichtigheid aan, uitlokking van en poging tot het plegen van een strafbaar feit kunnen worden bestraft met doeltreffende, evenredige en afschrikkende strafrechtelijke sancties.

Het Kaderbesluit 2001/500/JHA stelt al een minimumdrempel voor een maximumstraf van 4 jaar vast voor bepaalde vormen van het witwassen van geld.
Richtlijn (EU) 2018/1673 stelt de minimale maximumstraf ook op 4 jaar gevangenisstraf, ten minste voor ernstige gevallen.

Verzwarende omstandigheden

Het plegen van een witwasdelict (gedefinieerd in richtlijn (EU) 2018/1673) in het kader van een criminele organisatie in de zin van Kaderbesluit 2008/841/JBZ van de Raad, of het door de dader misbruiken van zijn beroep om het witwassen van geld mogelijk te maken, wordt als een verzwarende omstandigheid wordt beschouwd.

Aansprakelijkheid van rechtspersonen

De lidstaten moeten ervoor zorgen dat rechtspersonen aansprakelijk kunnen worden gesteld voor alle in artikel 3, lid 1 en lid 5 en artikel 4 van de nieuwe richtlijn genoemde strafbare feiten die in hun voordeel zijn gepleegd door personen die individueel of als lid van een orgaan van de rechtspersoon optreden en die in de rechtspersoon een leidende functie bekleden op basis van een bevoegdheid om:
  • de rechtspersoon te vertegenwoordigen;
  • namens de rechtspersoon beslissingen te nemen, of
  • binnen de rechtspersoon controle uit te oefenen.

Sancties voor rechtspersonen

De lidstaten zorgen ervoor dat een rechtspersoon die aansprakelijk is gesteld, kan worden gestraft met doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties, waaronder al dan niet strafrechtelijke geldboeten en eventuele andere sancties, zoals:
  • uitsluiting van door de overheid verleende voordelen of steun;
  • tijdelijke of permanente uitsluiting van toegang tot overheidsfinanciering, waaronder aanbestedingsprocedures, subsidies en concessies;
  • een tijdelijk of permanent verbod op het uitoefenen van commerciële activiteiten;
  • plaatsing onder toezicht van de rechter;
  • een rechterlijk bevel tot liquidatie;
  • tijdelijke of permanente sluiting van vestigingen die zijn gebruikt voor het plegen van het strafbare feit.

Onderzoeksmiddelen

De lidstaten zorgen ervoor dat doeltreffende onderzoeksmiddelen, zoals degene die worden gebruikt bij de bestrijding van georganiseerde of andere zware criminaliteit, ter beschikking staan van personen, eenheden of diensten die bevoegd zijn voor het onderzoeken of vervolgen van de bedoelde strafbare feiten.

Vervanging van enkele bepalingen uit Kaderbesluit 2001/500/JBZ

Richtlijn (EU) 2018/1673 komt in de plaats van artikel 1, onder b), en artikel 2 van het Kaderbesluit 2001/500/JBZ voor de lidstaten die door deze richtlijn gebonden zijn. Dit onverminderd de verplichtingen van die lidstaten met betrekking tot de termijn voor de omzetting van dat kaderbesluit in nationaal recht.

Voor de lidstaten die gebonden zijn door richtlijn (EU) 2018/1673 gelden verwijzingen naar de bepalingen in het eerste lid van het Kaderbesluit 2001/500/JBZ als verwijzingen naar deze richtlijn.

Niet van toepassing op…

Richtlijn (EU) 2018/1673 is niet van toepassing op het witwassen van geld waarbij voorwerpen betrokken zijn die afkomstig zijn uit delicten die de financiële belangen van de Unie schaden, waarvoor de specifieke bepalingen van richtlijn (EU) 2017/1371 gelden.

In werking

Richtlijn (EU) 2018/1673 treedt in werking op 2 december 2018, dat is op de twintigste dag na haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

De lidstaten moeten uiterlijk op 3 december 2020 aan deze richtlijn voldoen.

Bron: Richtlijn (EU) 2018/1673 van de Raad van 23 oktober 2018 inzake strafrechtelijke bestrijding van het witwassen van geld, Pb.L 284, 12 november 2018, 22. https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:32018L1673&from=EN
Zie ook:
Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt, Pb.L. 198, 27 juli 2017, 29 (PIF-richtlijn).
Kaderbesluit 2008/841/JBZ van de Raad van 24 oktober 2008 ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit, Pb.L 300, 11 november 2008, 42.
Kaderbesluit 2001/500/JBZ van de Raad van 26 juni 2001 inzake het witwassen van geld, de identificatie, opsporing, bevriezing, inbeslagneming en confiscatie van hulpmiddelen en van opbrengsten van misdrijven, Pb.L. 182, 5 juli 2001, 1.
Christine Van Geel
Wolters Kluwer
  83