Douaniers mogen geen leasingvoertuigen in beslag nemen

Arrest nr. 124/2018

Ambtenaren van de ‘Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen’ die tijdens een controle op de openbare weg een voertuig detecteren waarvan de eigenaar of de titularis van het kenteken van het voertuig nog openstaande penale boeten of douane- en accijnsschulden heeft, mogen dit voertuig in beslag nemen zonder daartoe eerst de machtiging van de beslagrechter te vragen (art. 51-58, Programmawet van 25 december 2016; in werking sinds 1 januari 2017).

De douaniers zullen het voertuig enkel onmiddellijk in beslag nemen als de boeten of schulden ten laste van de eigenaar van het voertuig of lastens de persoon die als titularis van het kenteken van het voertuig wordt vermeld, niet onmiddellijk (ter plaatse) aan de douaniers kunnen betaald worden.
Wanneer de achterstallige schulden vervolgens niet binnen de 10 werkdagen na de datum van overhandiging of ontvangst van het bericht van inbeslagneming worden betaald, dan kan de bevoegde ontvanger het voertuig laten verkopen.

De opbrengst van de verkoop wordt in eerste instantie gebruikt om douaneschulden te vereffenen. Nadien volgt de vereffening van de verkoopkosten en de kosten van de inbeslagneming, vervolgens de accijnsschulden en in laatste instantie de verschuldigde geldsommen (onverminderd de toepassing van art. 49, tweede lid van het Strafwetboek en van art. 29, laatste lid van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen).
Een eventueel overschot wordt terugbetaald aan de titularis van het kenteken van het voertuig of aan de voormalige eigenaar van het voertuig.

Elk voertuig kan dus in beslag genomen en verkocht worden enkel en alleen omdat “de titularis van het kenteken van een voertuig”, die niet noodzakelijk de eigenaar ervan is, nalaat door hem verschuldigde openstaande penale boeten of douane- en accijnsschulden te betalen.
En dat zonder enig optreden van een rechter.

Enkele leasingmaatschappijen vroegen daarom aan het Grondwettelijk Hof om de regeling nietig te verklaren, onder meer omdat het voertuig in beslag kan worden genomen en kan verkocht worden zonder enig optreden van een rechter en omdat er geen enkele procedurele waarborg voorhanden is om het eigendomsrecht te beschermen.

Het Grondwettelijk Hof besluit dat er “voor de leasinggever geen ‘concreet en effectief’ beroep bij een onafhankelijke en onpartijdige rechter openstaat tegen de inbeslagneming en de eventuele daaropvolgende verkoop van het voertuig”.

Zelfs al zou worden aanvaard dat de voertuigeigenaar een revindicatievordering zou kunnen instellen bij de beslagrechter (art. 1514, Gerechtelijk Wetboek), waardoor elke derde-bezitter zou kunnen worden gedwongen tot een afstand aan de werkelijke eigenaar (Cass., 3 mei 1996, AR C.95.0016.F), dan nog zou de beslagrechter enkel kunnen vaststellen dat de inbeslagneming door de douaniers is gebeurd conform de aan hen, door de bestreden bepalingen, toegekende bevoegdheid. De Belgische Staat is immers gerechtigd om beslag te leggen op het voertuig van de leasinggever en dit ongeacht de vaststelling dat niet de voertuigeigenaar, maar de kentekenhouder de schuldenaar is van de betrokken geldsommen.
De beroepsmogelijkheid bij de beslagrechter sorteert derhalve voor de leasinggever geen enkel nuttig effect en kan dus niet worden beschouwd als “concreet en effectief”.

Ook de mogelijkheid voor de leasinggever om op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek een schadevergoeding te eisen van de kentekenhouder, verhelpt niet het gebrek aan toegang tot een rechter. Niet alleen vereist een dergelijke vordering een aparte procedure; ook wordt het de leasinggever niet toegestaan op te treden tegen de inbeslagneming en de eventuele daaropvolgende verkoop van zijn voertuig.

Het Grondwettelijk Hof vernietigt daarom de artikelen 51 tot 58 van de programmawet van 25 december 2016 in zoverre zij de ambtenaren van de ‘Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen’ toestaat tot inbeslagneming over te gaan van een voertuig waarvan de kentekenhouder niet de eigenaar is.

Bron: Grondwettelijk Hof. Arrest nr. 124/2018 van 4 oktober 2018. In zake: het beroep tot vernietiging van hoofdstuk 3 van titel 3 van de programmawet van 25 december 2016 (artikelen 51 tot 58 betreffende de verbetering van de invordering van douane- en accijnsschulden en penale boeten), ingesteld door de nv ‘ING Lease Belgium’ en anderen.
Zie ook:
Programmawet van 25 december 2016, BS 29 december 2016 (art. 51-58).
Christine Van Geel
Wolters Kluwer
  148