Deeleconomie: wetgever zorgt voor niet-onderwerping in zelfstandigenstatuut (art. 22 – 23 PW)

De wetgever past het sociaal statuut van de zelfstandigen – opgenomen in het KB nr. 38 - aan om rekening te houden met het nieuw fiscaal stelsel dat op 1 juli 2016 ingevoerd werd voor de ‘deeleconomie’.

Wie binnen de deeleconomie zijn diensten aanbiedt via erkende platformen kan tot een bepaald drempelbedrag rekenen op een bijzondere fiscale behandeling en wordt niet onderworpen aan het sociaal statuut voor zelfstandigen.

Deeleconomie

Binnen de deeleconomie consumeren, produceren en verhandelen mensen onderling producten, diensten, kennis en geld, ‘gefaciliteerd’ door peer-to-peer marktplaatsen, business-to-business marktplaatsen en coöperatieven.

Uit de toelichting bij de programmawet blijkt dat die marktplaatsen doorgaans elektronische platformen zijn voor transacties van goederen en diensten tussen gelijkwaardige partijen. Het platform brengt vraag en aanbod bij elkaar. Het wordt onderhouden en ontwikkeld door een derde partij, die vaak ook tussenkomt bij de afhandeling van de financiële kant van de transactie.

Specifiek stelsel

Er geldt een specifiek stelsel voor diverse inkomsten die voortvloeien uit activiteiten binnen de ‘deeleconomie’. Denk aan inkomsten uit diensten zoals het onderhouden van een tuin, het verstellen van kledij of het geven van gitaarles - maar niet leveringen van goederen – die een belastingplichtige particulier levert aan een andere particulier door tussenkomst van een online platform dat erkend is of georganiseerd wordt door de overheid.

Onder bepaalde voorwaarden worden die inkomsten belast aan een aanslagvoet van 20% (tenzij de globalisatie voordeliger is), na toepassing van een kostenforfait van 50%. Er wordt niet voorzien in de mogelijkheid om werkelijke kosten in rekening te brengen.

Dit specifiek stelsel geldt enkel voor inkomsten onder een drempelbedrag, namelijk: 3.255 euro per belastbaar tijdperk (basisbedrag). Geïndexeerd gaat het om 5.000 euro voor de inkomsten 2016, maar dat bedrag wordt herleid tot 2.500 euro in 2016 omdat het stelsel pas in werking getreden op 1 juli 2016. Bij overschrijding worden alle inkomsten beschouwd als gewoon beroepsinkomen. Dit vermoeden is weerlegbaar. Werd de drempel tijdens het vorig belastbaar tijdperk overschreden, dan worden de ontvangsten, ongeacht het bedrag ervan, ook beschouwd als gewone beroepsinkomsten.

Om te beoordelen of de grens van 5.000 euro overschreden is, wordt rekening gehouden met het brutobedrag van de vergoedingen. Dat bedrag is gelijk aan het bedrag dat door het platform — of via zijn tussenkomst — effectief is betaald of toegekend aan de dienstverrichter, verhoogd met de sommen die zijn ingehouden (bedrijfsvoorheffing, kosten, commissies, belastingen ...).

De platformen die als tussenpersoon fungeren, zullen op de vergoedingen - die verplicht via hen passeren - een voorheffing moeten inhouden en doorstorten aan de FOD Financiën. Het blijft wel nog wachten op uitvoeringsbepalingen.

Sociaal statuut

Er wordt een nieuw artikel 5ter ingevoegd in het KB nr. 38. Dat zorgt ervoor dat de personen, die in België een activiteit uitoefenen die dat soort van inkomsten genereert, niet onderworpen zijn aan het KB nr. 38 voor de activiteit die verbonden is met die inkomsten, voor zover die inkomsten het drempelbedrag niet overschrijden en de specifieke voorwaarden vervuld zijn.

Een aandeel van 25% van de belasting wordt aangewend voor het globaal financieel beheer in het sociaal statuut voor zelfstandigen. Een KB zal omschrijven hoe dat precies in z’n werk zal gaan.

De niet-onderwerping is gekoppeld aan strikte voorwaarden, parallel met wat geldt op fiscaal vlak:

  • de diensten worden uitsluitend verleend aan natuurlijke personen die niet handelen in het kader van hun beroepswerkzaamheid;
  • de diensten worden uitsluitend verleend in het kader van overeenkomsten die tot stand zijn gebracht door tussenkomst van een erkend elektronisch platform of een elektronisch platform dat door een overheid wordt georganiseerd;
  • de vergoedingen met betrekking tot de diensten worden enkel door het platform of door tussenkomst van dat platform aan de dienstverrichter betaald of toegekend.

In werking

Dit onderdeel van de programmawet van 1 juli 2016 treedt retroactief in werking op 1 juli 2016.

Bron:Programmawet van 1 juli 2016, BS 4 juli 2016 (art. 22 – 23 PW)

Steven Bellemans

Programmawet

Afkondigingsdatum : 01/07/2016
Publicatiedatum : 04/07/2016

Gepubliceerd op 27-07-2016

  189