Commissie voor Gerechtskosten moet opnieuw aan de slag

Programmawet nr. (II)

De Raad van State vernietigt de weigering van de minister van Justitie om de Commissie voor de Gerechtskosten samen te stellen. De minister schendt met zijn weigering het rechtsstaatprincipe.

De Commissie voor de Gerechtskosten in strafzaken is sinds september 2016 gestopt met haar werkzaamheden. Niet omdat ze is opgeheven, wel omdat de minister van Justitie geen nieuwe leden heeft benoemd, waardoor ze dus de facto niet meer bestaat. Nochtans voorziet de wet in een beroep bij haar tegen beslissingen van de taxerende magistraat en de minister van Justitie over het bedrag van de gerechtskosten.

De Raad van State vernietigt nu de weigering van de minister om de commissie samen te stellen. De Raad stelt vast dat het parlement inderdaad bezig is met het uitwerken van een nieuwe administratieve beroepsprocedure. Maar die is er nog niet. Tot zolang blijft de oude wet mét de beroepsprocedure bij de commissie bestaan. En wetten moeten uitgevoerd worden. De minister kan zich niet beroepen op een geplande wetswijziging om dit niet te doen. Door de commissie niet samen te stellen, schendt hij - aldus de Raad van State - het rechtsstaatprincipe. Dit principe houdt in dat ook bestuurders aan de rechtsregels zijn onderworpen. De minister mag – als orgaan van de uitvoerende macht - wetten niet schorsen of vrijstelling van hun uitvoering verlenen. En aangezien de wet zeg dat de leden van de commissie door de minister van justitie worden benoemd, móét hij dat doen: dit is niet alleen een uitvoeringsbevoegdheid, maar ook een uitvoeringsverplichting.

Bron: RvS 28 februari 2019, nr. 243.847
Zie ook:
Programmawet nr. (II) van 27 december 2006, BS 28 december 2006 (art. 4 e.v.)
Ilse Vogelaere
  67