Collectief vorderingsrecht voor rechtspersonen ter bescherming van rechten en vrijheden (art. 137-156 DB Justitie)

Wet houdende diverse bepalingen betreffende justitie

Rechtspersonen kunnen voortaan gemeenrechtelijke vorderingen instellen ter verdediging van collectieve belangen.

Uiteraard zijn er wel een aantal voorwaarden verbonden aan een dergelijke rechtsvordering. Anders is ze niet ontvankelijk.

Eerst en vooral kan de rechtspersoon de vordering alleen instellen om de rechten van de mens of de fundamentele vrijheden te beschermen. Het gaat om de Grondwettelijk erkende rechten en vrijheden en om die die erkend zijn in internationale instrumenten die België binden, zoals bijvoorbeeld het EVRM, het BUPO en het Europees Handvest van de grondrechten of nog andere specifieke instrumenten ter bescherming van de rechten van de mens.

Daarnaast zijn er nog vier extra voorwaarden. Twee hebben betrekking op de rechtspersoon die de vordering wil instellen, twee op de rechtsvordering zelf.

De rechtspersoon moet een maatschappelijk doel van bijzondere aard hebben, dat onderscheiden is van het nastreven van het algemeen belang. En hij moet op duurzame en effectieve wijze dit maatschappelijk doel nastreven.

De rechtsvordering moet gericht zijn op de verdediging van een belang dat verband houdt met het maatschappelijk doel van de rechtspersoon. De rechtsvordering moet bovendien een collectief belang verdedigen. Het belang mag dus niet beperkt zijn tot de individuele belangen van de rechtspersoon.

Deze nieuwe regels treden in werking op 10 januari 2019.

Bron: Wet van 21 december 2018 houdende diverse bepalingen betreffende justitie, BS 31 december 2018 (art. 137–156 DB Justitie)
Zie ook:
Gerechtelijk Wetboek (art. 17)
Grondwet (Titel II)
Ilse Vogelaere
  32