Bijdrage voor tweedelijnsbijstand: Grondwettelijk Hof vernietigt betaling door elke rechtzoekende in burgerlijke of administratieve procedure

Wet tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand

Elke eiser in een burgerlijke zaak en elke verzoeker in een administratieve procedure voor de Raad van State of de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen betaalt op dit moment een bijdrage van 20 euro aan het Fonds voor tweedelijnsbijstand. Het Grondwettelijk Hof vernietigt die regel.

Het Hof heeft er op zich geen probleem mee dat elke rechtzoekende - op enkele uitzonderingen na - een bijdrage voor juridische tweedelijnsbijstand moet betalen. Iedere rechtzoekende heeft immers baat bij een goede juridische tweedelijnsbijstand.

Maar de eisende partij of de verzoeker kan van de in het ongelijk gestelde partij de betaalde bijdrage terugvorderen. De rechter vereffent de betaalde bijdrage in de eindbeslissing die in de kosten verwijst. Wat betekent dat de in het ongelijk gestelde partij - als ze zelf geen juridische tweedelijnsbijstand of rechtsbijstand geniet - soms een forfaitaire bijdrage moet betalen die heel wat hoger ligt dan de bijdrage die de wetgever aan de eisende partij of verzoeker oplegt. Dit doet zich voor wanneer verschillende eisers of verzoekers de vordering instellen tegen een enkele verweerder. In dat geval wordt de terug te betalen bijdrage van 20 euro vermenigvuldigd met het aantal eisers of verzoekers, zonder dat er enig maximum op staat. En dit gaat te ver, aldus het Hof. Er is geen redelijke evenredigheid meer tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.

Het Hof vernietigt daarom de regel dat elke eisende partij of elke verzoekende partij de bijdrage voor tweedelijnsbijstand moet betalen.

Bron: GwH 13 februari 2020, nr. 22/2020
Zie ook:
Wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand (art. 4)
Ilse Vogelaere
  289