Beroepsgeheim advocaten: Grondwettelijk Hof fluit de nieuwe antiwitwaswet gedeeltelijk terug

Wet tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten

Het Grondwettelijk Hof oordeelt dat verschillende bepalingen van de wet van 18 september 2017 met betrekking tot het voorkomen van het witwassen van geld in strijd zijn met het beroepsgeheim van advocaten, als essentieel onderdeel van het recht op privacy en het recht op een eerlijk proces. Deze wet wordt dus gedeeltelijk vernietigd.
In 2017 werd de Belgische antiwitwaswetgeving hervormd om op die manier de recentste Europese en internationale juridische ontwikkelingen in deze materie te integreren in nationaal recht. Op die manier zorgt de wet van 18 september 2017 ervoor dat het repressieve luik tegen het witwassen van geld en de financiering van terrorisme aangevuld wordt met preventieve maatregelen, strafbaar via administratieve en strafsancties, die van toepassing zijn op vele entiteiten, en meer bepaald op advocaten die hun cliënt bijstaan in de voorbereiding of uitvoering van bepaalde verrichtingen.
De Orde van Franstalige en Duitstalige balies (OBFG) en de ‘Orde van Vlaamse balies’ hebben de vernietiging gevraagd van verschillende bepalingen van de nieuwe wet, met als reden dat ze een schending zijn voor het verplichte beroepsgeheim van advocaten.

Verplichte melding van vermoedens (art. 47, § 1e, 2°, tweede zin)

Bij de ‘preventieve maatregelen’ die de wet van 18 september 2017 invoert, hoort onder andere de verplichting om aan de Cel voor Financiële Informatieverwerking (CFI) vermoedens te melden als de cliënt beslist om de verdachte verrichting niet uit te voeren op advies van zijn advocaat.
Op basis van de wet geldt het beroepsgeheim voor elke informatie die gekend is door de advocaat in het kader van de uitoefening van activiteiten die essentieel zijn voor het beroep, met name het bijstaan en het juridisch verdedigen van de cliënt, aangevuld met juridisch advies, zelfs buiten elke gerechtelijke procedure. Deze informatie mag dus niet meegedeeld worden aan de CFI. Op deze regel geldt een uitzondering als de advocaat zelf deelnam aan activiteiten van witwassen van geld of de financiering van terrorisme, advies gaf over het witwassen van geld of de financiering van terrorisme of weet dat de cliënt hierover juridisch advies vroeg.
Het Hof oordeelt dat informatie, waarover een advocaat op de hoogte is op het vlak van een verrichting of een poging tot verdachte verrichting die zijn cliënt, op zijn advies, weigert uit te voeren, ‘gekend is bij de advocaat’ in het kader van de uitoefening van zijn activiteit van juridisch advies, en dat deze informatie bijgevolg beschermd is door het beroepsgeheim en dus ontsnapt aan de verplichting om vermoedens te melden.
Ze besluit ook dat de verplichting tot communicatie, zoals voorzien in artikel 47, § 1e, 2°, tweede zin, van de wet van 18 september 2017, zonder redelijke verantwoording is en dus vernietigd moet worden voor advocaten.

Personen die bevoegd zijn om gegevens over te maken aan de CFI (art. 49, al. 2)

Op basis van de nieuwe wet moet elke meldingsplichtige entiteit ‘antiwitwas-verantwoordelijken’ (‘Anti-Money Laundering Compliance Officers’ of ‘AMLCO’) aanstellen. Met andere woorden: één of meerdere personen die verantwoordelijk zijn voor de concrete uitwerking van interne controlemaatregelen, en die met name belast zijn met het doorgeven van verdachte aangiftes aan de CFI. Wat advocaten betreft, is de antiwitwas-verantwoordelijke in principe de advocaat belast met het dossier.
In elk geval is het zo dat, als de procedure niet gevolgd kan worden (bijvoorbeeld omdat de AMLCO niet tijdig bereikbaar is of omdat de bestuurders van de meldingsplichtige entiteit betrokken lijken te zijn in een witwasactiviteit en het doorgeven van informatie belemmeren), de wet aangeeft dat andere personen, zoals werknemers of vertegenwoordigers van de meldingsplichtige entiteit, persoonlijk kunnen overgaan tot het doorgeven van informatie aan de CFI.
De Ministerraad heeft verduidelijkt dat, wat deze bepaling en haar toepassing voor advocaten betreft, enkel een vertegenwoordiger van de advocaat – die zelf advocaat is en ‘noodzakelijkerwijze deel uitmaakt van het kantoor’ – informatie of inlichtingen aan de CFI kan doorgeven als de AMLCO niet beschikbaar is. Personeelsleden van advocatenkantoren zijn zelf niet bevoegd om dit te doen, omdat ze niet de kwalificatie hebben van meldingsplichtige entiteit.
Toch oordeelt het Hof dat er geen redenen zijn dat een derde ten aanzien van de relatie tussen de advocaat en zijn cliënt aan de autoriteiten gegevens over deze cliënt kan doorgeven, zelfs al is deze derde zelf advocaat. Bovendien vernietigt ze, voor wat enkel de advocaten betreft, de wettelijke mogelijkheid voor andere personen dan de AMLCO om persoonlijk over te gaan tot het doorgeven van gegevens aan de CFI.

En wat voor externe accountants en belastingadviseurs?

Noteer dat het Instituut van de Accountants en de Belastingadviseurs zich op dit vlak aansluit bij het beroep dat het OBFG en OVB indienden.
In elk geval oordeelt het Hof dat voor externe accountants en belastingadviseurs die onderworpen zijn aan de geviseerde wet, de Belgische wetgever gebruik heeft gemaakt van de beoordelingsmarge die haar wordt toegestaan door de richtlijn 2015/849 om deze beroepsgroep te onderwerpen aan het toezicht van het Instituut van de Accountants en de Belastingadviseurs. Deze maatregel leidt niet tot onevenredige gevolgen en is dus zonder redelijke verantwoording.
Zie ook
Wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, BS 6 oktober 2017
  529