Bepalingen van het Wetboek van economisch recht over misbruik van economische afhankelijkheid van toepassing vanaf 22 augustus 2020

Koninklijk besluit tot wijziging van de boeken I en IV van het Wetboek van economisch recht met betrekking tot misbruiken van economische afhankelijkheid

In het Wetboek van economisch recht werden enkele aanpassingen aangebracht om de wijzigingen die opeenvolgend werden aangebracht door de wetten van 4 april 2019 en van 2 mei 2019 met betrekking tot misbruik van economische afhankelijkheid in overeenstemming te brengen. Deze ‘gecoördineerde’ bepalingen treden in werking op 22 augustus 2020.

Economische afhankelijkheid

Economische afhankelijkheid wordt omschreven als een ‘positie van onderworpenheid van een onderneming ten aanzien van één of meerdere andere ondernemingen gekenmerkt door de afwezigheid van een redelijk equivalent alternatief, beschikbaar binnen een redelijke termijn, en onder redelijke voorwaarden en kosten, die deze of elk van deze ondernemingen toelaten om prestaties of voorwaarden op te leggen die niet kunnen verkregen worden in normale marktomstandigheden’.
Anders gezegd is er sprake van misbruik van economische afhankelijkheid wanneer een onderneming een bepaalde marktmacht heeft waardoor ze een relatieve dominantie kan uitoefenen op haar partners en voorwaarden kan opleggen die zij zonder deze marktmacht niet zou kunnen opleggen (zonder daarom een dominante positie te hebben). Deze situatie wordt vaak aangetroffen in de context van een "producent/leverancier-distributeur-klant"-relatie (maar niet alleen).
Er kunnen verschillende factoren worden beoordeeld (alleen of in combinatie) om het bestaan van een economische afhankelijkheidspositie vast te stellen, zoals de relatieve marktmacht van de andere onderneming, een belangrijk aandeel van de andere onderneming in haar omzet, de toegang voor de onderneming tot hulpbronnen of tot essentiële infrastructuur, de vrees voor ernstig economisch nadeel, voor represailles of voor het beëindigen van een contractuele relatie of de reguliere toekenning aan een onderneming van bijzondere voorwaarden, zoals kortingen, die niet aan andere ondernemingen worden toegekend in vergelijkbare gevallen.
De auditeur-generaal kan voortaan ambtshalve beslissen tot het openen van een onderzoek of na een klacht van een natuurlijke persoon of rechtspersoon die aantoont daarbij een rechtmatig belang te hebben in het geval van misbruik van economische afhankelijkheid. Hij kan bovendien ten aanzien van de betrokken partijen een termijn vaststellen waarbinnen zij schriftelijk kunnen aangeven dat zij bereid zijn besprekingen te voeren om tot een schikking te komen.

Specifieke sancties

Wanneer het Mededingingscollege een beslissing neemt over misbruik van een economische afhankelijkheidspositie kan het aan elk van de betrokken ondernemingen en verenigingen van ondernemingen geldboetes opleggen van maximaal 2% van hun omzet. Dit is een afwijking van de gewone sanctieregeling bij inbreuk op de regels ter bescherming van de mededinging (kartels en misbruik van machtspositie), die voorziet in geldboetes tot 10% van de omzet.
Om zijn beslissing te doen naleven kan het College bovendien aan elk van de betrokken ondernemingen en verenigingen van ondernemingen dwangsommen opleggen tot 2% van de gemiddelde dagelijkse omzet per dag vertraging te rekenen vanaf de dag die het College in de beslissing bepaalt (in vergelijking met 5% in de gewone regeling). Deze dwangsom kan ook worden opgelegd om de voorlopige maatregelen te doen naleven die bedoeld zijn om het misbruik van economische afhankelijkheidspositie waarover een onderzoek werd geopend op te schorten.
De in aanmerking te nemen omzet is de totale omzet op de nationale markt en bij de export, behaald tijdens het boekjaar voorafgaand aan de beslissing.
De regering kan desgevallend deze grenzen verhogen bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na raadpleging van de Belgische Mededingingsautoriteit en de Bijzondere raadgevende commissie Mededinging. Bovendien gaat de Belgische Mededingingsautoriteit om de drie jaar over tot een toetsing van het boeteplafond om na te gaan of de boetes voldoende afschrikken.
De Belgische Mededingingsautoriteit kan ook als amicus curiae tussenkomen bij de gerechtshoven met betrekking tot het verbod op misbruiken van economische afhankelijkheid, zoals ze dat kan met betrekking tot kartels en misbruik van machtspositie.

Rechtsonzekerheid

Het hier besproken koninklijk besluit van 31 juli 2020 past in een specifieke context.
Meerdere bepalingen van het Wetboek van economisch recht over ‘misbruik van economische afhankelijkheid’ werden ingevoegd door een wet van 4 april 2019, waarvan de inwerkingtreding aanvankelijk op 1 juni 2020 was vastgesteld. Maar parallel hiermee bracht een wet van 2 mei 2019 belangrijke wijzigingen aan in Boek I (Definities) en Boek IV (Bescherming van de mededinging) van dit Wetboek, met uitwerking op 3 juni 2019.
Om overlapping van die maatregelen vanaf 1 juni 2020 te vermijden, werd op 27 mei jongstleden een derde wet aangenomen om de regering de (beperkte) bevoegdheid te verlenen het Wetboek van economisch recht te wijzigen om de overeenstemming te waarborgen tussen de wetten van 4 april 2019 en van 2 mei 2019 wat misbruik van economische afhankelijkheid betreft. Het nu gepubliceerde KB dat die overeenstemming waarborgt treedt in werking op 22 augustus 2020, net als de bepalingen van het Wetboek die erdoor worden gewijzigd.
Zie ook
Wet van 27 mei 2020 tot wijziging van de wetten van 4 april 2019 houdende wijziging van het Wetboek van Economisch Recht met betrekking tot misbruiken van economische afhankelijkheid, onrechtmatige bedingen en oneerlijke marktpraktijken tussen ondernemingen en van 2 mei 2019 houdende wijzigingen van boek I 'Definities', van boek XV 'Rechtshandhaving' en vervanging van boek IV 'Bescherming van de mededinging' van het Wetboek van economisch recht, BS 29 mei 2020
Benoît Lysy
  154