Alleen kamer voor de bescherming van de maatschappij kan veroordeelden interneren (art. 210–222 en 249 Potpourri III-wet)

De internering van veroordeelden wordt geïntegreerd in de penitentaire procedure. Het is de kamer voor de bescherming van de maatschappij die voortaan over de internering zal beslissen. Er worden wel verschillende garanties voorzien zodat de geïnterneerde veroordeelde geen strafvoordeel kan halen uit zijn internering.

Geen burgerlijke procedure meer

De internering van veroordeelden wordt overgeheveld van de burgerlijke procedure inzake gedwongen opname naar de penitentiaire procedure.

Voortaan beslist de kamer voor de bescherming van de maatschappij, de kamer van de strafuitvoeringsrechtbank die uitsluitend bevoegd is voor interneringszaken, over een eventuele internering van veroordeelden.

Procedure

Alles start bij de gevangenispsychiater. Als die bij een veroordeelde met minstens één veroordeling wegens een misdaad of een wanbedrijf dat de psychische of fysische integriteit van derden aantast of bedreigt, een duurzame geestesstoornis vaststelt kan de procedure in gang gezet worden. Die geestesstoornis moet het oordeelsvermogen van de veroordeelde of de controle over zijn daden teniet doen of ernstig aantasten. En er moet bovendien een risico zij dat hij - als gevolg van zijn geestesstoornis - opnieuw een dergelijke feit kan plegen.

Het is de gevangenisdirecteur die in een dergelijk geval aan de kamer voor de bescherming van de maatschappij kan vragen om de veroordeelde te interneren. Hij stelt een advies tot internering op en bezorgt de kamer een dossier met daarin onder meer het verslag van de gevangenispsychiater.

De kamer beslist niet alleen op basis van het dossier. Het beveelt steeds een forensisch psychiatrisch onderzoek. Het openbaar ministerie geeft advies over dat onderzoek. De kamer hoort de veroordeelde en zijn advocaat, het openbaar ministerie en de gevangenisdirecteur. Ze kan ook anderen horen.

Beslist ze de veroordeelde te interneren, dan duidt ze meteen ook de psychiatrische afdeling van de gevangenis aan waar de veroordeelde in eerste instantie – tot het vonnis in kracht van gewijsde gaat – zal verblijven.

Hoger beroep

Het openbaar ministerie én de veroordeelde kunnen in beroep gaan tegen de beslissing van de kamer. En dat bij de correctionele kamer van het hof van beroep. Het beroep wordt ingesteld binnen 15 dagen (vanaf het vonnis (OM) of vanaf de kennisgeving (veroordeelde). De verklaring van hoger beroep gebeurt op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank. Vandaar gaat het naar de griffie van het hof van beroep waar het onmiddellijk in het register van hoger beroep komt. De correctionele kamer hoort de veroordeelde en zijn advocaat en de gevangenisdirecteur. De uitspraak moet er zijn binnen 15 dagen nadat het beroep is ingesteld.

Internering

Voor het beheer van de internering van een veroordeelde gelden enkele bijzondere regels.

De geïnterneerde veroordeelde kan alleen geplaatst worden in federale inrichtingen of afdelingen tot bescherming van de maatschappij of in forensisch psychiatrische centra. Niet in private inrichtingen. Aangezien de betrokkene een veroordeelde is, komen alleen voldoende beveiligde inrichtingen in aanmerking. Voor een geïnterneerde veroordeelde die de toelaatbaarheidsdatum voor de voorwaardelijke invrijheidstelling bereikt, verandert de situatie. Hij kan wel terecht in de minder beveiligde private inrichtingen.

Er komen ook regels om te vermijden dat de geïnterneerde veroordeelde strafvoordeel haalt uit de internering. De kamer kan uitvoeringsmodaliteiten toekennen, zoals een uitgaansvergunning, verlof, beperkte detentie, elektronisch toezicht of vrijstelling op proef. Maar alleen onder de tijdsvoorwaarden die gelden voor de strafuitvoeringsmodaliteiten.

Bij een invrijheidstelling op proef in het kader van de internering mag de proeftermijn niet korter zijn dan de proeftermijn die de veroordeelde zou hebben moeten ondergaan indien hij een voorwaardelijke invrijheidstelling zou gekregen hebben.

Opheffing internering

Indien op basis van een medisch advies blijkt dat de geestestoestand van de geïnterneerde veroordeelde – vóór de tijdsvoorwaarden zijn bereikt om een invrijheidstelling op proef te krijgen – voldoende verbeterd is, vraag de directeur van de inrichting of de verantwoordelijke van de zorg de opheffing van de internering aan de kamer voor de bescherming van de maatschappij. Het openbaar ministerie geeft zijn advies over dat verzoek. De kamer kan een nieuw forensisch psychiatrisch onderzoek bevelen.

Vindt de kamer dat de internering niet langer aangewezen is, dan heft ze die op. De veroordeelde keert terug naar de gevangenis tenzij hij al zijn vrijheidsstraffen al heeft ondergaan. De periode van internering wordt immers gelijkgesteld met detentie.

Tegen deze beslissing van de kamer is geen rechtsmiddel mogelijk.

Als de geestestoestand van de geïnterneerde veroordeelde verbetert nadat hij in de tijdsvoorwaarden voor een voorwaardelijke invrijheidstelling is, kan de kamer hem zonder probleem een invrijheidstelling op proef toekennen.

Geen verbetering

Heeft de geïnterneerde veroordeelde al zijn straffen ondergaan maar is zijn geestestoestand nog steeds niet beter, dan wordt hij een zuivere geïnterneerde. Vanaf dan kan hij ook in een private inrichting geplaatst worden. Aangezien de straffen volbracht zijn, gelden vanaf dan ook niet langer de tijdsvoorwaarden voor de strafuitvoeringsmodaliteiten bij de toekenning van uitvoeringsmodaliteiten bij internering.

Overgansregeling

De nieuwe regels zijn ook van toepassing op veroordeelden die op het moment van de inwerkingtreding van de nieuwe interneringswet al geïnterneerd zijn door de minister van Justitie.

Er zijn evenwel twee uitzonderingen:

  • zijn ze geplaatst in een private instelling, dan mogen ze daar verder blijven. Een verplaatsing naar een federale instelling hoeft niet;
  • de eerder genomen beslissingen tot toekenning van uitvoeringsmodaliteiten blijven verder gelden. Dus ook wanneer de geïnterneerde veroordeelde zich nog niet in de tijdsvoorwaarden bevindt om die modaliteiten te krijgen.

Inwerkingtreding

De artikelen 210 tot 222 en 249 van de wet van 4 mei 2016 zijn in werking getreden op 23 mei 2016. Zij wijzigen de interneringswet van 2014 die zelf in werking treedt op 1 oktober 2016.

Bron:Wet van 4 mei 2016 houdende internering en diverse bepalingen inzake Justitie, BS 13 mei 2016 (art. 210–222 en 249 Potpourri III-wet)
Zie ook:Wet van 5 mei 2014 betreffende de internering (art. 77/1-77/9 en 135)

Ilse Vogelaere

Wet houdende internering en diverse bepalingen inzake Justitie

Afkondigingsdatum : 04/05/2016
Publicatiedatum : 13/05/2016

Gepubliceerd op 13-06-2016

  2469