Wetgever mocht doorverkoop van tickets verbieden

Een wet van 30 juli 2013 wil vermijden dat toegangskaarten voor evenementen met winst worden doorverkocht. De wetgever had immers vastgesteld dat er een ‘secundaire markt’ voor de verkoop van die kaarten bleek te bestaan en dat die de prijzen kunstmatig hoog opdeef. De wetgever wilde aan die praktijken een halt toeroepen. De exploitanten van eBay en 2dehands.nl stapten naar het Grondwettelijk Hof. Het Hof stelde vast dat het vrij verkeer van diensten door de nieuwe wet wordt belemmerd, maar dat de wetgever daar gerechtvaardigde redenen voor had.

Hugo Lamon

EbayDe wet van 30 juli 2013 wil sommige gevolgen van de werking van de vrije markt in de evenementensector aan banden leggen. De indieners van het wetsvoorstel vonden dat culturele en sportieve evenementen voor zoveel mogelijk toeschouwers toegankelijk moeten zijn. Er doken in het verleden echter berichten op dat stromannen massaal toegangsbewijzen opkochten bij officiële verkopers en verdelers en die vrijwel onmiddellijk doorverkochten via een ‘secundair circuit’. In de memorie van toelichting van de wet wordt gesteld dat die toegangsbewijzen dan vaak werden doorverkocht aan prijzen die 6 tot 7 maal hoger lagen dan de oorspronkelijke prijs. De indieners van het wetsvoorstel merkten op dat ‘op die manier op de primaire markt een kunstmatige schaarste veroorzaakt (wordt) wat toelaat de prijzen met abnormale proporties op te drijven’. Dus greep de wetgever in met onder meer een verplichting om steeds op het toegangsbewijs een vaste prijs te vermelden, waarbij ook speciale voorwaarden (zoals gratis VIP-tickets) op ondubbelzinnige wijze en in een duidelijk leesbaar lettertype op het toegangsticket worden vermeld. Er is ook een verbod ingevoerd op de georganiseerde ‘doorverkoop’ (verkoop door iemand anders dan de oorspronkelijke verkoper) van toegangsbewijzen. Wie echter zelf een ticket heeft gekocht en onverwacht niet kan gaan, mag nog wel als ‘occasionele’ verkoper zijn ticket doorverkopen, maar niet aan een hogere prijs, zodat hij er nooit winst op kan maken.

Omdat de wetgever vond dat regels zonder duidelijke sancties weinig of geen effect hebben, werden er ook burgerlijke sancties bepaald (onder meer in artikel 6 dat bepaalt dat de eventueel hoger betaalde prijs als een onverschuldigde betaling moet worden beschouwd en kan worden teruggevorderd van de doorverkoper). Er is ook de mogelijkheid om een vordering tot staking in te stellen bij de voorzitter van de rechtbank van koophandel. Verder zijn er ook strafsancties bepaald, waardoor de wet zelfs van openbare orde lijkt te zijn.

De uitbaters van de websites www.eBay.be en www.2dehands.nl vochten de wet aan bij het Grondwettelijk Hof, dat zich over de kwestie uitsprak in een interessant arrest van 30 april.

VRIJHEID VAN ONDERNEMEN
Het Grondwettelijk Hof moest onderzoeken of die wettelijke regeling geen inbreuk vormt op de vrijheid van ondernemen en op het vrij dienstenverkeer.

Boek II van het wetboek van economisch recht (WER) bevat de algemene beginselen. Artikel II.3 WER stelt dat ‘iedereen vrij ( is) om enige economische activiteit naar keuze uit te oefenen’. Die bepaling komt in de in de plaats van het bekende, revolutionaire decreet d’Allarde. Die vrijheid van ondernemen moet volgens artikel II.4 WER samen gelezen worden met onder meer het Europees Unierecht.

Het Grondwettelijk Hof bevestigt in de eerste plaats dat wanneer de wetgever beperkingen wil opleggen aan die vrijheid van ondernemen hij rekening moet houden met dat Unierecht.

Het Hof stelt vast dat de beperkingen die de wet oplegt aan het vrij doorverkopen van tickets, het Europees vrij verkeer van diensten aantast. De wet maakt het voor een dienstverrichter in een andere lidstaat (zoals de exploitant van een websi-te die zulke kaarten te koop wil aanbieden) immers moeilijker om op het Belgisch grondgebied diensten te verichten.

Na die vaststelling onderzoekt het Grondwettelijk Hof of die beperking op het vrij verkeer kan worden gerechtvaardigd. Daarvoor worden dan de criteria uit de Europese rechtspraak gehanteerd, en wordt er dus onderzocht of er dwingende redenen van algemeen belang zijn die een beperking op dat vrij verkeer kunnen rechtvaardigen.

Het Hof herinnert er eerst aan dat de wet de ‘uitwassen van de vrije marktwerking op de zogenaamde secundaire markt (wil) tegengaan’. Daarbij stelt het Hof vast dat ‘in de meeste gevallen (…) de verkoper van het toegangsbewijs vrijwillig een lagere prijs (heeft) bepaald dan de geschatte marktprijs, met als doel de aankoop ervan voor een zo ruim mogelijk aantal consumenten toegankelijk te maken’. Het is niet duidelijk hoe het Grondwettelijk Hof zomaar sociale reflexen ziet bij al die organisatoren. Het Hof gaat echter nog verder en leidt uit die ethische bekommernis van de verkopers van toe-gangsbewijzen van evenementen af dat ook de wetgever niet mag achterblijven. Het Hof omschrijft het als volgt: ‘Wanneer de oorspronkelijke verkoper door de democratisering van de verkoopprijs van toegangsbewijzen zelf de vrije markt-werking corrigeert, behoort het tot de opdracht van de overheid om ervoor te zorgen dat de ethische bekommernis van de oorspronkelijke verkoper niet door een zuiver economische afweging terzijde wordt geschoven op de zogenaamde secundaire markt’.

Het Hof stelt verder dat de beperkingen die de wet oplegt evenredig zijn met het nagestreefde doel.

Het Grondwettelijk Hof onderschrijft daarmee de stelling van de wetgever dat er corrigerend moest worden opgetreden in de markt van de verkoop van tickets voor evenementen. Het zonder meer aanvaarden dat de hele sector van verkopers van toegangskaarten voor evenementen gedreven wordt door een ethische bekommernis van democratisering van alle evene-menten, kan verregaand lijken. Het kan in ieder geval een interessant nieuw debat openen in tal van andere sectoren. En misschien inspireert het de wetgever om het vrije ondernemerschap ook daar verder te beperken. De vraag is of daarover geen breder debat wenselijk is.

De auteur is advocaat.

GwH, arrest nr. 50/2015, 30 april 2015

Deze bespreking verscheen in De Juristenkrant (nr. 309 van 13 mei 2015).

Gepubliceerd op 19-05-2015

  132