Veralgemeende correctionaliseerbaarheid

De Potpourri II-wet voerde de veralgemeende correctionaliseerbaarheid in, maar deze werd vernietigd door het Grondwettelijk Hof. Er bleef echter veel rechtsonzekerheid. Deze rechtsonzekerheid wilde het Hof met zijn interpretatief arrest nr. 2018/28 wegnemen. Ruben Vilain en Ward Yperman beoordelen de juridische argumenten waarop het Hof zijn redenering stoelde en bespreken de betrokken wetgeving. Hun bijdrage verscheen op 12 september 2018 in aflevering 386 van het Nieuw Juridisch Weekblad (NjW).

Gepubliceerd op 12-09-2018

vilain-ruben
Ruben Vilain
yperman-ward
Ward Yperman
njw-386

Op 21 december 2017 vernietigde het Grondwettelijk Hof delen van de Potpourri II-wet (wet 5 februari 2016). De belangrijkste wijziging die het Hof terugfloot, was de veralgemeende correctionaliseerbaarheid. Zelfs na de handhaving van de gevolgen van de vernietigde bepalingen tot de publicatie van het arrest in het Belgisch Staatsblad (12 januari 2018), was er nog steeds rechtsonzekerheid. Het interpretatief arrest nr. 2018/28 van 9 maart 2018 schiep hierover duidelijkheid. Deze duidelijkheid is echter gebaseerd op een wankele juridische redenering.

Vóór 9 maart 2018: rechtsonzekerheid en twijfel

Potpourri II maakte alle misdaden correctionaliseerbaar en verhoogde tegelijkertijd de maximumstraffen na correctionalisatie. Alle misdaden konden via het routinematige correctionaliseringsmechanisme voor een correctionele rechtbank worden gebracht, die hiervoor zware gevangenisstraffen tot zelfs veertig jaar kon opleggen. Anders gesteld: de wetgever wilde zoveel mogelijk strafzaken weghouden bij het hof van assisen en zette het met de veralgemeende correctionaliseerbaarheid buitenspel. Op 21 december 2017 vernietigde het Grondwettelijk Hof deze veralgemeende correctionaliseerbaarheid. De wetgever had het concept ‘verzachtende omstandigheden’ al te zeer uitgehold.

Het Hof handhaafde de gevolgen van deze vernietiging tot de publicatie van zijn arrest in het Belgisch Staatsblad (12 januari 2018). Ondanks deze handhaving bestond er nog steeds rechtsonzekerheid voor hangende zaken, zowel op het vlak van de bevoegdheid van correctionele rechtbanken en hoven van beroep als op het vlak van de mogelijke straffen die ze konden opleggen.

Vanaf 9 maart 2018: rechtszekerheid, maar wankele redenering

Om aan de rechtsonzekerheid te verhelpen, vroeg de ministerraad aan het Grondwettelijk Hof om een uitlegging van zijn arrest. Dit interpretatief arrest kwam er op 9 maart 2018. Het Hof verklaarde dat vóór 12 januari 2018 rechtmatig geadieerde rechtbanken en hoven bevoegd bleven voor niet langer correctionaliseerbare misdaden. Het Hof legde de maximale gevangenisstraffen hiervoor vast op dertig en twintig jaar (voor misdaden oorspronkelijk strafbaar met respectievelijk levenslange opsluiting en twintig tot dertig jaar opsluiting). Deze oplossing schept rechtszekerheid, maar de argumentatie van het Hof bevat een redeneerfout. De redenering steunt namelijk op het feit dat het hof van assisen na aanname van verzachtende omstandigheden voor een misdaad oorspronkelijk strafbaar met levenslange opsluiting een opsluiting van maximaal dertig jaar kan opleggen. Het Hof ziet hier echter over het hoofd dat het zelf de door Potpourri II ingevoerde strafmaat van dertig tot veertig jaar opsluiting niet had vernietigd.

Besluit

Door het interpretatief arrest van het Grondwettelijk Hof is aan de rechtsonzekerheid verholpen. Het antwoord van het Hof is duidelijk, maar de gehanteerde juridische redenering is niet waterdicht.

Over de auteurs

Ruben Vilain is assistent aan het Instituut voor Strafrecht (KU Leuven).

Ward Yperman is assistent aan het Instituut voor Strafrecht (KU Leuven).

  400