Oost-Vlaanderen wacht reparatiewet niet af voor minnelijke schikking

Op 26 oktober 2016 heeft de correctionele rechtbank in Oost-Vlaanderen een verruimde minnelijke schikking in strafzaken aanvaard, overeenkomstig de uitspraak van het Grondwettelijk Hof van 2 juni 2016.
In de praktijk wordt dus niet gewacht op een reparatiewet om toch verruimde minnelijke schikkingen af te sluiten en te laten goedkeuren door de rechter.

Frank Schuermans besprak deze uitspraak voor De Juristenkrant (nr. 338 van 23 november 2016)

Hamer5In een zaak van belangenneming in de jaren 2012-2013 werd een verdachte in september 2015 vervolgd voor de correctionele rechtbank. De zaak werd meerdere malen uitgesteld om eind mei 2016 te worden behandeld en in beraad te worden genomen. Het OM vroeg de rechtbank de strafvordering vervallen te verklaren na de aanvaarding en uitvoering door de beklaagde van een verruimde minnelijke schikking. Op 2 juni 2016 velde het Grondwettelijk Hof echter zijn arrest 83/2016 waarin de regeling van de verruimde minnelijke schikking ongrondwettig werd verklaard.

Bij tussenvonnis van 6 juli 2016 heropende de rechtbank daarop de debatten, om de partijen en het OM toe te laten standpunt in te nemen over de weerslag van het arrest op de afgesloten minnelijke schikking.
Het OM wees op het dictum van het arrest 83/2016 dat als enige relevant is om de rechtsgevolgen ervan te bepalen, en op het feit dat het om een prejudicieel arrest ging (en geen vernietigingsarrest) waardoor de bestreden bepaling sowieso in de rechtsorde blijft bestaan.

Dat dictum stelt dat artikel 216bis, § 2 Sv. de artikelen 10 en 11 GW schendt in de mate dat het het openbaar ministerie machtigt om via een minnelijke schikking een einde te maken aan de strafvordering, nadat die is ingesteld, zonder dat een daadwerkelijke rechterlijke controle bestaat. Er was dus geen sprake van een ‘zuivere schending’ maar wel van een voorwaardelijke (‘in zoverre’) schending, waarna de getoetste norm door de rechtspraak moet worden toegepast in de Grondwetsconforme betekenis die het Hof eraan heeft gegeven.

Het betekent dus dat artikel 216bis, § 2 in de rechtsorde behouden blijft als norm, maar enkel voor zover de rechter een daadwerkelijke rechterlijke controle op de formele en materiële toepassingsvoorwaarden en de proportionaliteit kan uitoefenen. Een opportuniteitsoordeel over het afsluiten van een minnelijke schikking heeft de rechter niet, ook niet na het arrest van het Grondwettelijk Hof. Een wetswijziging is dus in se niet nodig om de grondwetsconforme interpretatie van de regels rond de verruimde minnelijke schikking al toe te passen.

VOORWAARDEN
De beklaagde vroeg, net als het OM, aan de rechtbank de strafvordering vervallen te verklaren. Het OM legde uit waarom het tot een verruimde minnelijke schikking had beslist, en hoe het tot het te betalen bedrag was gekomen. De rechtbank volgde de visie van het OM en ging over tot de rechterlijke controle van de afgesloten en betaalde schikking door, naast de formele toepassingsvoorwaarden, ook te onderzoeken of:

  • de beklaagde de verruimde schikking vrijwillig had aanvaard;
  • de beklaagde voldoende kennis van zaken had over de inhoud en de gevolgen van de schikking;
  • de schikking proportioneel is aan de gepleegde feiten;
  • de bindende richtlijnen van het strafrechtelijk beleid (151 § 1 GW en artikel 143quater Ger. W.) en de wetten die de beoordelingsbevoegdheid van het OM beperken, werden nageleefd.

Zoals ook gesteld door het Hof kan dat toezicht slechts als een daadwerkelijke rechterlijke controle worden beschouwd als de beslissing over de minnelijke schikking wordt gemotiveerd. Reden waarom de correctionele rechtbank alle voorwaarden overliep om ze uiteindelijk positief te beoordelen.

ONDERHANDELDE JUSTITIE
Besluitend kan dus gesteld worden dat alvast juridisch niets het OM en een inverdenkinggestelde/beklaagde belet, zelfs zonder reparatiewet (die om redenen van rechtszekerheid natuurlijk nog steeds aangewezen is), de piste van de verruimde minnelijke schikking te bewandelen. Het vergt ongetwijfeld meer werk en inspanning om de rechter te overtuigen van de aanwezigheid van de toetsingscriteria, maar dat moet dan maar, en voor de maatschappelijke aanvaarding is dat maar best ook.

Misschien kan dan ook ooit die intellectueel oneerlijke en populistische term ‘afkoopwet’ ten grave worden gedragen. Het instrument is te belangrijk, althans voor wie enige voeling met de praktijk heeft, om een coherent en efficiënt strafrechtelijk beleid mogelijk te maken.

De auteur is advocaat-generaal in Gent en praktijkassistent strafrecht (onderzoeksgroep IRCP) aan de Universiteit Gent. De in deze bijdrage ontwikkelde standpunten binden uitsluitend de auteur.


Corr. Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, 26 oktober 2016, Juristenkrant nr. 338.

Dit artikel verscheen op 23 november 2016 in De Juristenkrant nr. 338. U kunt het ook lezen via Jura.



Gepubliceerd op 24-11-2016

  364