Onverjaarbaarheid seksuele misdrijven op minderjarigen

Driek Deferme en Henry Otgaar bespreken de temporele werking van de afschaffing van de verjaringstermijn voor ernstige seksuele misdrijven op minderjarigen. Hun bijdrage is op 17 juni 2020 verschenen in aflevering 424 van het Nieuw Juridisch Weekblad (NjW).

Gepubliceerd op 17-06-2020

kind

De focus van het artikel ligt op de bewijsproblematiek. Eén van de achterliggende redenen van de verjaring situeert zich op bewijsvlak. De afschaffing van de verjaring brengt met zich mee dat de verjaring bewijsproblemen niet meer kan opvangen en dat er geen tijdslimiet meer staat op mogelijke vervolgingen. Er wordt zo een grotere verantwoordelijkheid gelegd op de vrije bewijsbeoordeling en -waardering door de rechter. De rechter moet bijgevolg uitspraak gaan doen over feiten en herinneringen aan deze feiten die ver in het verleden liggen. Deze bewijsproblematiek hangt nauw samen met een aantal rechtspsychologische thema’s waarmee rekening moet worden gehouden. Het gaat dan specifiek om de vorming van foute herinneringen, ook wel pseudo-herinneringen genoemd. Vooral in het kader van seksuele misdrijven op minderjarigen is er waakzaamheid nodig om deze herinneringen te kunnen onderscheiden van juiste herinneringen. Dit kan anders negatieve gevolgen hebben voor onschuldige verdachten, zoals valse beschuldigingen.

Vervolgens wordt ingegaan op hoe buiten de verjaring om rekening kan worden gehouden met deze rechtspsychologische onderwerpen en de bewijsproblematiek. Het betoog bespreekt daarbij een reeds bestaand juridisch alternatief voor de verjaring, namelijk de redelijke termijn. De redelijke termijn houdt zoals de verjaring ook rekening met het tijdsverloop en wordt ook beoordeeld in het kader van bewijs. Daarnaast wordt ook een nieuw alternatief voorgesteld, namelijk de invoering van een onafhankelijke commissie (zoals in Nederland). Zo’n commissie zou advies kunnen verlenen aan de rechter, de politie en het openbaar ministerie over de betrouwbaarheid van verklaringen en herinneringen over seksueel misbruik. Hierdoor kunnen de rechtspsychologische problemen worden opgevangen en hebben de actoren voldoende bijstand.

De afschaffing van de verjaringsregels voor seksuele misbruiken op minderjarigen mag dan wel door de wetgever als symbolisch worden beschouwd, het brengt een aantal bewijsrechtelijke en rechtspsychologische problemen met zich mee. Bij gebrek aan oplossingen door de wetgever, wordt voorgesteld om te werken met de redelijke termijn en de oprichting van een commissie.

De auteurs

Driek Deferme is doctoraatsbursaal aan het Centrum voor rechtsmethodiek (KU Leuven) en FWO aspirant.

Henry Otgaar is onderzoeksprofessor rechtspsychologie aan het Leuvens Instituut voor Criminologie (KU Leuven).

deferme-driek
Driek Deferme
otgaar-henry
Henry Orgaar

 

 

  244