Onderzoek over gebruik dna-analyse in strafonderzoeken legt pijnpunten bloot

Interview in De Juristenkrant

Gepubliceerd op 06-12-2018

Bart Aerts
Zelfstandig journalist

De té strikte wetgeving volgt de wetenschappelijke ontwikkelingen niet. Politiemensen en magistraten zijn niet opgeleid om een efficiënte zoektocht naar sporen uit te voeren. En er is geen koppeling tussen de dna-databanken en de gegevensbestanden van de politie. Dat zijn de grootste pijnpunten in het gebruik van dna in strafonderzoeken. ‘Hoewel de technologie bijzonder duur is, was dna-analyse in België nog nooit onderzocht’, zegt Bertrand Renard van het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie (NICC) in De Juristenkrant. Na vier jaar zijn de resultaten van het allereerste onderzoek bekend. ‘Het geweldige potentieel van dna blijft onderbenut.’

istock-517105804-dna

[...]

Zouden politie en justitie misdrijven sneller kunnen oplossen als er een betere link was tussen die databanken?

Renard: ‘Zeker. Het is een groot probleem dat de politiedatabanken gescheiden zijn van de dna-databanken. Daardoor kan het gebruik van dna in een gerechtelijk onderzoek ernstig vertraagd worden. Als die koppeling in de praktijk ook mogelijk was, zouden er meer mogelijkheden zijn voor de politie om op zoek te gaan naar daders van misdrijven. Uit ons onderzoek blijkt immers dat er meer netwerken zichtbaar worden, die actiever zijn in meer gerechtelijke arrondissementen en meer verspreid zijn over de tijd, dan we enkel op basis van politiedata kunnen zien.’ [...]

 

Is er te weinig communicatie tussen politie en justitie?

‘Ja, er is heel weinig feedback tussen de verschillende actoren. Zij zijn vaak niet op de hoogte van wat er met hun werk wordt gedaan. Zo krijgt het lab van de politie geen feedback over welke sporen er worden geanalyseerd, tenzij dat op arrondissementeel niveau wordt afgesproken. Daardoor kan men de methodes of het werk ook niet verbeteren en kan het gebruik van dna niet worden geoptimaliseerd. Er is ook heel weinig communicatie tussen de verschillende arrondissementen.’

[...]

 

‘Neem nu de diefstal van een voertuig waarbij een aantal sporen worden gevonden in het teruggevonden voertuig. Wij hebben in een aantal dossiers gezien dat er uit die sporen twee profielen komen. Bijvoorbeeld één op het stuur, afkomstig van man x en één op de versnellingspook, afkomstig van man y. Dan zijn er dus twee personen. Men zou kunnen zeggen dat er twee daders waren, maar dan zou de ene gestuurd en de andere geschakeld moeten hebben, wat opvallend zou zijn. De kans is zeer groot dat één van de twee sporen afkomstig is van de eigenaar van het voertuig, dus van het slachtoffer.’

‘Die sporen worden ambtshalve doorgestuurd naar een dna-databank en daar ook opgeslagen, met als gevolg dat er mogelijk sporen van slachtoffers in de databank zitten. Die leveren dan geen match op en daar kan men niet mee verder.’

[...]

‘Er is ook het systeem van ‘rapid dna’, een manier om het dna-profiel van een verdachte, een getuige of een slachtoffer te creëren. Dat kan heel snel: je neemt het dna, je legt het in de machine en een uur later heb je het profiel. Voorlopig staat de Belgische wetgeving het gebruik van die methode niet toe, omdat een erkend laboratorium vereist is.’

‘Het huidige wettelijke kader wordt geleidelijk ingehaald door wetenschappelijke ontwikkelingen. Genetisch familieonderzoek is al toegestaan in sommige buurlanden, maar nog niet in België. Onder meer de privacywetgeving laat dat niet toe. We moeten ons daarom regelmatig de vraag stellen welke veranderingen in onze wetgeving moeten worden aangebracht aan de hand van die technische ontwikkelingen of nieuwe sociale praktijken.’

[...]

Parlementslid Sophie De Wit (N-VA) stelde na de voorstelling van het project in de commissie Justitie de vraag of magistraten wel voldoende opgeleid zijn om met dna te werken. Is dat het geval?

‘Er is zeker een gebrek aan opleiding en kennis, maar - en dat stoort ons - zowel de politie als de magistraten hebben de neiging om de opleidingstijden te verkorten in plaats van meer tijd te voorzien.’

‘Historisch gezien verwijzen magistraten geconfronteerd met onderzoeken met technische elementen heel erg naar de politiediensten om te worden geïnformeerd over wat er moet gebeuren. Het zijn zeker de leden van de technische en wetenschappelijke politie-laboratoria die in de beste positie verkeren om magistraten te helpen. Bovendien is er de afgelopen jaren een forensisch adviseursdienst beschikbaar binnen het NICC om de magistraten te ondersteunen bij de onderzoeksstrategieën die moeten worden opgezet wanneer er technische elementen in het dossier zitten. We hebben zoveel tools, maar ze zijn misschien niet voldoende bekend.’

  141