HRJ: ‘Voorrecht van rechtsmacht voor magistraten is achterhaald’

Naar aanleiding van de zaak Jonathan Jacob hield de Hoge Raad voor de Justitie het voorrecht van rechtsmacht voor magistraten tegen het licht. De HRJ stelt dat het uitzonderingsregime correct werd toegepast in het onderzoek naar eerste substituut De Laet, maar als zodanig om meerdere redenen achterhaald is. Bart Nelissen sprokkelde voor De Juristenkrant enkele reacties.

Bart Nelissen

Blader hier eens door De Juristenkrant (nr. 308 van 29 april 2015). Of lees ze via Jura. 

Het rapport ‘Voorrecht van rechtsmacht in het kader van het dossier Jonathan Jacob’ omvat naast een afbakening en een gedetailleerd overzicht van de geldende voorschriften met wat rechtsvergelijkende vaststellingen uit Nederland en Frankrijk - waar magistraten over een tweede aanleg beschikken en niet (langer) over enig voorrecht - een beoordeling  van de huidige regeling. In een vierde luik toetst het rapport de toepassing ervan in het dossier Jonathan Jacob lastens substituut De Laet. Vervolgens komen verschillende aanbevelingen aan bod inzake het uitzonderingsregime en het dossierbeheer en een algemeen besluit rondt het geheel af .

‘Het huidige systeem van voorrecht van rechtsmacht voor magistraten is niet meer aangepast aan de hedendaagse realiteit en de evolutie die onze maatschappij en justitie hebben doorgemaakt’, klinkt het in klare bewoordingen. De conclusies van het bijzonder onderzoek liegen er dan ook niet om: de wetgever moet de bestaande uitzonderingsregeling voor magistraten wijzigen, het aantal titularissen drastisch beperken, een grotere rol toebedelen aan de procureur des Konings in plaats van het parket-generaal en eventuele vervolgingen laten plaatsvinden in een ander arrondissement dan datgene waar de betrokken magistraat werkt. Destijds was het voorrecht bedoeld om zowel roekeloze vervolgingen van rechtsonderhorigen als overdreven mild- of strengheid van de rechter te vermijden, maar volgens de HRJ biedt de gemeenrechtelijke regeling voldoende waarborgen tegen deze risico’s.


 

Vertrekpunt van de analyse waren een aantal ‘knelpunten’ zoals het monopolie van de procureur-generaal voor de straf-vordering, het vermijden van beoordeling door naaste collega’s, de afwezigheid van hoger beroep, de samenhang, de (lange) lijst van bevoorrechte personen, het definitief afsluiten van het dossier en meer algemeen ‘een groot risico op impliciete schijn van partijdigheid’.


 

Oud-hoogleraar en oud-magistraat Armand Vandeplas is niet opgezet met die frase: ‘(geagiteerd) Het voorrecht van rechtsmacht afschaffen omdat er een impliciet risico op verkeerde perceptie zou rijzen: als rechtvaardiging kan dat tellen! Zou men de universiteitsprofessoren niet naar huis sturen, want er zou een verkeerde perceptie kunnen rijzen betreffende hun bekwaamheid na de laatste incidenten door professoren veroorzaakt? Moet men dan ook niet de Hoge Raad afschaffen omdat bepaalde personen een verkeerde perceptie zouden kunnen krijgen over de ernst waarmee sommige instellingen worden beoordeeld? Dat sommige onbevoegden van mening zouden kunnen zijn dat magistraten door het toebedeelde voorrecht een bepaalde bescherming genieten, kan toch geen reden zijn om een instelling te veranderen?’, aldus nog Vandeplas die het ‘voorrecht’ als zodanig relativeert: ‘Magistraten beseffen maar al te goed dat het zogeheten voorrecht helemaal geen voorrecht is, maar integendeel een veel strengere beteugeling meebrengt bij strafvervolging’.


 

De keuze van de HRJ voor rechtsvergelijking kan bij de ere-raadsheer evenmin op bijval rekenen: ‘Er wordt verwezen naar de Franse en de Nederlandse wetgeving inzake voorrecht van rechtsmacht. Zo’n instituut of regeling maakt natuurlijk deel uit van een geheel van rechtsinstellingen, men kan niet zomaar een deeltje van de regeling in die landen behandelen, zonder het geheel te bestuderen. Ik vermoed niet dat de Hoge Raad aanraadt de Franse strafprocedure in ons land in te voeren. We hebben steeds met argwaan de rol van de minister van Justitie inzake injunctie gevolgd, en ik ben ervan overtuigd dat onze magistraten de rol van het OM, onder gezag van de minister van Justitie, niet willen uitbreiden’. De Nederlandse aanpak is voor Vandeplas evenmin zaligmakend: ‘In Nederland bestaat er inderdaad geen voorrecht van rechtsmacht, maar de magistraten zijn er ook niet onverplaatsbaar of onafzetbaar. Wie niet voldoet aan de gestelde eisen of normen kan in Nederland worden overgeplaatst of zelfs worden afgezet, zonder rekening te houden met wat men in België als grondwettelijk gewaarborgd beschouwt’.

BURGERLIJKE PARTIJSTELLING
De HRJ adviseert om af te stappen van de bevoegdheid van de hoven van beroep in eerste en laatste aanleg. Tegelijk benadrukt het rapport dat het op gang brengen van de strafvordering best exclusief in handen blijft van het openbaar ministerie. Procureur Thierry Freyne pleitte onlangs nog voor het beperken van de burgerlijke partijstellingsmogelijkheden en acht de tijd rijp voor een procedure op gemeenrechtelijke leest. Hij is het echter oneens wat het lot van de burgerlijke partijstelling betreft: ‘Meer dan ooit ben ik ervan overtuigd dat er eigenlijk geen plaats meer is voor de burgerlijke partijstelling in een democratisch aangestuurd veiligheidsbeleid, waarin de verkozenen bepalen wat prioritair moet worden opgespoord. Als het gaat om vervolging van magistraten kan ik mij volledig aansluiten bij het advies van de HRJ om het parket exclusief bevoegd te houden voor de vervolging’, luidt het. ‘Dat moet toelaten om bijvoorbeeld onderzoeken in alle onafhankelijkheid te blijven voeren, zonder te vrezen dat magistraten het voorwerp zouden uitmaken van manifest ongegronde strafklachten. Zulke klachten werden in de marge van bepaalde onderzoeken neergelegd tegen politieambtenaren, waardoor hun werk werd bemoeilijkt. Dat moeten we te allen prijze vermijden’.

Jan Nolf, die de zaak Jonathan Jacob volgde, maakt voorbehoud: ‘De burgerlijke partijstelling bij de onderzoeksrechter wordt door het parket al altijd scheef bekeken, want het wordt aangevoeld als een signaal van wantrouwen tegenover een parket dat zich onafhankelijk waant, terwijl het dat niet echt is, de facto noch de iure. Ook de jonge generatie zoals Thierry Freyne deelt die allergie’. ‘Freyne stuurt een slachtoffer dan naar ‘de burgerlijke rechter’, maar die heeft nauwelijks onderzoeksmogelijkheden. Dit lijkt me wel een verbazend slachtofferonvriendelijke attitude.’

Vandeplas is op zijn beurt erg kritisch voor de afschaffing van de burgerlijke partijstelling: ‘Natuurlijk bepleiten onderzoeksrechters en parketmagistraten alles wat hen minder werk en last bezorgt (glimlacht). Ik betwijfel echter of dat het aangewezen beleid is’. Vandeplas waarschuwt voor willekeur en politisering van het parketoptreden: ‘De benadeelde heeft geen enkel wapen tegen de willekeur van het OM. Als enig middel om zijn recht te waarborgen blijft er de burgerlijke partijstelling. Als de procureur over de hele strafvervolging beslist, zijn we op weg naar een politiek beleid zoals in Frankrijk: het OM wordt in de handen van de minister van Justitie, met andere woorden van de politiek gedreven’, klinkt het. ‘Hoeveel gevallen zijn er niet bekend waar het te danken was aan de burgerlijke partijstelling dat de strafvervolging op gang werd gebracht en dat rechtvaardigheid geschiedde. Enerzijds wenst men nu de mode te volgen en de benadeelde een waardige plaats in het vervolgingsbeleid te verlenen, maar anderzijds zou men hem monddood willen maken’, klaagt hij aan. Het zit Vandeplas ook hoog dat men de regeling zonder meer als achterhaald bestempelt. Hij vindt de argumentatie van de Hoge Raad ook op dat vlak eerder zwak: ‘Het is toch niet omdat een rechtsbeginsel eeuwenoud is dat het legitimiteit mist’, klinkt het. ‘Met dezelfde argumenten kan men het huwelijk afschaffen, de burgerlijke stand, het erfrecht, artikel 1382 BW…’, besluit Vandeplas.

‘LOBBYWERK VAN STOORZENDER’
Het Antwerpse parket-generaal krijgt van de HRJ het advies om te zorgen voor duidelijkheid over hoe, wanneer, door wie en waarom van de normale procedure van vervolging en onderzoek tegen magistraten kan worden afgeweken, maar ook over wanneer en hoe een magistraat verslag moet uitbrengen over het eigen handelen en in welke vorm.

Vandeplas zegt geen nut te zien in het voorgestelde snoeien in het aantal bevoorrechten: ‘Uitvissen of een magistraat tot de bevoorrechten of niet behoort, zal zoveel problemen opleveren om uit te maken of de betrokkene al dan niet van het voorrecht genieten kon op het ogenblik van de strafvervolging... Er worden hier opnieuw talloze nietigheden in het leven geroepen: men zal in hoger beroep gaan en desnoods een voorziening instellen omdat er beweerd wordt dat de onderzoeksrechter onbevoegd was... en dan kan er opnieuw cassatieberoep worden ingesteld omdat de verklaringen die werden afgelegd voor een onbevoegde rechter onwettig waren of omdat de uitvoering van onregelmatige opdrachten de nietigheid van heel de procedure meebrengt!’, aldus nog Vandeplas.

Vermits in de zaak rond Jonathan Jacob werd afgeweken van de geldende regels inzake voorrecht van rechtsmacht, weliswaar ter wille van de sereniteit, hield volgens de Hoge Raad de gevoerde procedure zelf een risico op schijn van partijdigheid in. Nochtans had die procedure dat net moeten vermijden. Jan Nolf vindt dat de Hoge Raad zich beter niet had uitgesproken over de zaak: ‘De HRJ kon een advies over de procedure ‘voorrecht van rechtsmacht’ perfect uitschrijven zonder in te gaan op dit dossier. De HRJ lijkt te besluiten dat de bestaande procedure hier wél gewerkt heeft. Dat is toch het toppunt. En dan zwijg ik nog over de vragen die de HRJ zich niet stelt’. Zo vraagt Nolf zich af waarom de HRJ voor dit geval niet gewacht heeft tot een eindarrest, en plaatst hij vraagtekens bij de omstandigheden waarin het rapport werd gepubliceerd: ‘De HRJ heeft vader Jan Jacob op de vooravond van de publicatie uitgenodigd voor inzage. Dat lijkt me een twijfelachtige methode om het vertrouwen van een slachtoffer en klokkenluider te winnen. Zo lijkt het wel op lobbywerk van een stoorzender.’

De auteur doctoreert aan de KU Leuven.

Blader hier eens door De Juristenkrant (nr. 308 van 29 april 2015). Of lees ze via Jura. 

www.hrj.be

Gepubliceerd op 30-04-2015

  424