De Hitlergroet in de Belgische strafwetgeving

Paul Borghs doorloopt schematisch de Belgische rechtspraak over het brengen van de Hitlergroet in de publieke ruimte. Zijn bijdrage is op 11 december 2019 verschenen in aflevering 412 van het Nieuw Juridisch Weekblad (NjW).

Gepubliceerd op 11-12-2019

voetbal

De auteur behandelt achtereenvolgens:

  • Het brengen van de Hitlergroet als vorm van aanzetten tot discriminatie, segregatie, haat of geweld.
  • Het brengen van de Hitlergroet en de Negationismewet.
  • Het brengen van de Hitlergroet als element tot strafverzwaring.

Aanzettingsmisdrijf

In België is het strafbaar om anderen in het openbaar aan te zetten tot discriminatie, segregatie, haat of geweld tegenover personen of groepen wegens een beschermd kenmerk. De auteur onderzoekt het brengen van de Hitlergroet als ‘aanzetten tot’ in de volgende omstandigheden:

  • Tijdens een bijeenkomst van de gemeente- of provincieraad.
  • Tegenover ambtenaren van politie en magistraten.
  • Tijdens een bijeenkomst van neonazi’s.
  • Door voetbalsupporters.
  • In de publieke ruimte (op straat, in de tram, in een café …).
  • In het kader van het verspreiden van pornografisch materiaal.

Uit de rechtspraak kan afgeleid worden dat het brengen van de Hitlergroet in de publieke ruimte vrijwel steeds wordt aangemerkt als een vorm van ‘aanzetten tot’. De Hitlergroet is een historisch beladen groet die intrinsiek kan aangemerkt worden als een ‘drager’ van het aanzetten tot discriminatie, segregatie, haat of geweld.

Negationismewet

De Negationismewet bestraft het in het openbaar ontkennen, schromelijk minimaliseren, pogen te rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de Tweede Wereldoorlog door het Duitse Nationaalsocialistische regime is gepleegd.

Uit de rechtspraak kan a contrario worden afgeleid dat het brengen van de Hitlergroet  in de publieke ruimte kan vervolgd worden op basis van de Negationismewet als blijkt dat betrokkene voldoende op de hoogte is van de wreedheden van het naziregime.

Haatmisdrijven

Voor een aantal misdrijven is een facultatieve of verplichte strafverzwaring voorzien wanneer de dader handelde uit haat tegen, misprijzen van of vijandigheid tegen een persoon omwille van een beschermd kenmerk. Er is dan sprake van een ‘haatmisdrijf’ ingegeven door een ‘verwerpelijk motief’.

Het brengen van de Hitlergroet door de verdachte is één van de elementen waaruit het verwerpelijk motief kan worden afgeleid. De auteur onderzoekt de rechtspraak waarin het brengen van de Hitlergroet in aanmerking werd genomen voor een strafverzwaring, meer bepaald inzake:

  • Het brengen van de Hitlergroet tijdens het plegen van het misdrijf (slagen en verwondingen en belaging).
  • Het brengen van de Hitlergroet op een ander ogenblik.

In België is er geen expliciet algemeen wettelijk verbod op het brengen van de Hitlergroet. Maar ook zonder een dergelijk verbod kan het brengen van de Hitlergroet in de publieke ruimte adequaat bestraft worden en in aanmerking worden genomen voor het toepassen van een strafverzwaring.

De auteur

borghs-paul-kl

Paul Borghs is juridisch adviseur antidiscriminatiewetgeving.

 

 

  2577