Begripsverwarring over economische uitbuiting en mensenhandel bemoeilijkt strijd ertegen

Uit De Juristenkrant nr. 405 van 11 maart 2020

Amy Weatherburn heeft in haar doctoraat aan de VUB en de universiteit Tilburg een algemene definitie ontwikkeld over het begrip arbeidsuitbuiting. Daarmee moet een leemte worden ingevuld in de strijd tegen arbeidsexploitatie, of die nu kadert binnen mensenhandel of niet. ‘Er kan een link zijn tussen mensenhandel en arbeidsuitbuiting, maar het zijn geen synoniemen.’

Gepubliceerd op 12-03-2020

Ruth Boone

‘De overeengekomen internationale definitie over mensenhandel in het Palermo protocol van de VN uit 2000 is een noemenswaardige prestatie. Maar de internationale definitie geeft geen duidelijkheid over wat de scope ervan is, en wat uitbuiting precies betekent. Er wordt alleen een niet-limitatieve lijst gegeven van vormen van exploitatie die uitbuiting kunnen uitmaken’, schrijft Amy Weatherburn in haar doctoraat. ‘Onder uitbuiting wordt mensenhandel met het oog op arbeidsuitbuiting, slavernij, praktijken gelijkaardig aan slavernij, en gedwongen arbeid verstaan. Dat zorgt voor verwarring, want die vormen van uitbuiting zijn ook apart gedefinieerd en strafbaar. Het huidige juridische framework zorgt dus voor onduidelijkheid over waar de grens ligt tussen degelijke werkomstandigheden en uitbuiting.’

amy

Wat precies die economische of arbeidsuitbuiting is, is dus onduidelijk. Weatherburn stelt dat arbeidsuitbuiting vooral een fenomeen is in de private economie, eerder dan een overheidspraktijk, en voortvloeit uit controle en daaruit voortvloeiende afhankelijkheid, en een gebrek aan leefbare alternatieven. Ieder land gebruikt zijn eigen definitie, waardoor het voor wetgevers niet eenvoudig is om een consistente aanpak van arbeidsuitbuiting te ontwikkelen. In haar doctoraat stelt Weatherburn daarom een algemene definitie voor, na een vergelijkend onderzoek van 72 strafzaken in België, en Engeland en Wales. Dat moet een bruikbaar instrument opleveren om economische uitbuiting aan te pakken.

[...]

‘In de Belgische strafwetgeving wordt economische uitbuiting omschreven als ‘omstandigheden die tegengesteld zijn aan de menselijke waardigheid’. Dat staat in artikel 433quinquies alinea 1, 3°. Verdere uitleg is te vinden in de parlementaire voorbereiding, waarbij verwezen wordt naar niet-betaling van loon, onveilige werkomstandigheden, of lange uren werken. De verdere interpretatie over wanneer er sprake is van zulke omstandigheden, wordt overgelaten aan de rechtbanken.’

Daarom bestudeerde Weatherburn 72 strafrechtelijke uitspraken in België en Engeland en Wales. ‘De analyse van de jurisdictionele interpretatie van het nationale recht is van onschatbare waarde gebleken, zeker in het licht van de beperkte jurisprudentie van het EHRM over artikel 4. Daar zijn een aantal sleutelelementen naar boven gekomen over arbeidsuitbuiting. Uit de rechtspraak blijkt dat de uitbuiting het gevolg is van een berekende beslissing, zoals doelbewuste rekrutering, waarbij een kwetsbare positie wetens en willens wordt uitgebuit, met daarbij een gebrek aan respect voor de menselijke waardigheid. Er is sprake van controle of autoriteit over de volledige situatie van het slachtoffer, waardoor dat slachtoffer in een afhankelijke positie zit en moeilijk de eigen omstandigheden kan veranderen.’

  421