Ziekte is geen vakantie

ziekte1In twee recente arresten heeft het Europees Hof van Justitie (het "Hof") andermaal bevestigd dat werknemers die wegens ziekte hun recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon niet kunnen opnemen, hun rechten daarop behouden en deze zelfs kunnen overdragen naar een volgend vakantiejaar of, in geval van beëindiging van de arbeidsovereenkomst, recht hebben op een financiële vergoeding voor niet-opgenomen vakantiedagen.

Tim Perdieus van Fieldfisher bespreekt deze arresten en hun belang voor België.

Een uitgebreidere versie van deze tekst is verschenen in Expat News nr. 9 van oktober 2016.

Richtlijn 2003/88 – Beide zaken betroffen een verzoek tot uitlegging van artikel 7 van de Europese Richtlijn 2003/88 (de “Richtlijn”) betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd. Uit dit artikel volgt dat aan alle werknemers jaarlijks een vakantie van ten minste vier weken wordt toegekend, met behoud van loon. Het Hof beschouwt dit als een bijzonder belangrijk beginsel van sociaal recht van de Europese Unie (zie ook EHvJ 10 september 2009, Vicente Pereda, C-277/08).

Zaak Sobczyszyn (EHvJ 30 juni 2016, C-178/15)


Feiten
– Het betreft een geschil tussen een Poolse lerares die van het werk afwezig was wegens een “verlof tot herstel van de gezondheid om een door een arts aanbevolen therapie te volgen” (in overeenstemming met de toepasselijke Poolse regelgeving) en haar werkgever, een Poolse onderwijsinstelling.

Wegens deze periode van afwezigheid van het werk had de werkneemster in het betreffende dienstjaar niet alle opgebouwde vakantiedagen kunnen opnemen. Omdat deze dagen in de vakantieplanning voor dat dienstjaar reeds eerder werden vastgesteld, zouden deze vakantiedagen zijn opgegaan in de periode van afwezigheid, in overeenstemming met de geldende Poolse regelgeving.

Prejudiciële vraag – In dit kader stelde de door de werkneemster gevatte Poolse rechter een prejudiciële vraag aan het Europees Hof van Justitie om te vernemen of de Poolse nationale regeling waarbij een werknemer die met verlof tot herstel van de gezondheid is, na afloop van dat verlof kan worden geweigerd om zijn betaalde jaarlijkse vakantie later op te nemen, strijdig is met de Richtlijn.

Beslissing - Met verwijzing naar haar eerdere rechtspraak bevestigt het Hof dat een werknemer, die met ziekteverlof is tijdens een van tevoren vastgestelde jaarlijkse vakantieperiode, het recht heeft om, deze vakantie op te nemen na het ziekteverlof, om daadwerkelijk van zijn recht op jaarlijkse vakantie gebruik te kunnen maken (o.a. EHvJ 10 september 2009, Vicente Pereda, C-277/08 en EHvJ 21 juni 2012, ANGED, C-78/11).

Het Hof benadrukt dat haar rechtspraak gebaseerd is op de verschillende doelstellingen van ziekteverlof (een periode om te herstellen van een ziekte) en jaarlijkse vakantie (een periode van ontspanning en vrije tijd, die in toepassing van de Richtlijn daadwerkelijk moet worden genoten).

Het komt toe aan de Poolse rechter om te beoordelen of het doel van een "verlof tot herstel van de gezondheid om een door een arts aanbevolen therapie te volgen”, toegekend in overeenstemming met de toepasselijke Poolse regelgeving, verschilt met het doel van jaarlijkse vakantie in de Richtlijn.

Het Hof preciseert daarbij evenwel dat een dergelijk verlof tot herstel van de gezondheid gericht is op de verbetering van de gezondheid, en, anders dan de jaarlijkse betaalde vakantie, niet ten doel heeft dat de betrokken werknemer over een periode van ontspanning en vrije tijd beschikt, aangezien hij een door een arts aanbevolen therapie moeten volgen.

Het Hof concludeert dan ook dat, indien de Poolse rechter oordeelt dat het doel van het verlof tot herstel van de gezondheid inderdaad verschilt van dat van jaarlijkse vakantie (in de zin van de Richtlijn), de nationale regeling moet voorzien in de verplichting voor de werkgever om de betrokken werknemer een andere periode van jaarlijkse vakantie toe te kennen, eventueel buiten de normale referentieperiode voor de jaarlijkse vakantie.

Zaak Maschek (EHvJ 20 juli 2016, C-341/15)


Feiten
– Deze zaak betrof een geschil tussen een Oostenrijkse werknemer en zijn werkgever, de gemeentelijke administratie van Wenen. Naar aanleiding van zijn verzoek tot pensionering werd overeengekomen dat de werknemer gedurende een eerste periode vakantie zou opnemen en vervolgens tot aan zijn pensioen zou worden vrijgesteld van arbeidsprestaties, met behoud van loon. De werknemer was echter arbeidsongeschikt gedurende de eerste periode (vakantie) en beweerde bovendien opnieuw arbeidsongeschikt te zijn geworden kort voor de aanvangsdatum van zijn pensioen.

Bijgevolg maakte de werknemer aanspraak op een financiële vergoeding voor niet-opgenomen jaarlijkse vakantie met behoud van loon waar hij voor het einde van zijn arbeidsrelatie nog recht op had.
 

Regelgeving - Artikel 7, lid 2 van de Richtlijn bepaalt immers dat, wanneer de arbeidsovereenkomst is beëindigd en het daadwerkelijk opnemen van jaarlijkse vakantie met behoud van loon bijgevolg niet langer mogelijk is, de werknemer recht heeft op een financiële vergoeding om te voorkomen dat hij van het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon verstoken zou blijven.

Het Oostenrijkse recht kent geen dergelijke vergoeding toe wanner een werknemer op zijn verzoek op pensioen wordt gesteld, zelfs wanneer die werknemer korte tijd voor zijn vertrek ziek was. De Oostenrijkse rechter wenst te vernemen of de Richtlijn zich verzet tegen deze nationale regeling.

Beslissing - Voor de toekenning van een financiële vergoeding, wanneer een werknemer niet in staat was om zijn volledig recht op betaalde jaarlijkse vakantie op te nemen voor het einde van zijn arbeidsovereenkomst, stelt de Richtlijn geen enkele andere voorwaarde dan dat de arbeidsovereenkomst werd beëindigd. Het Hof oordeelt dan ook dat de Richtlijn zich op dit punt verzet tegen de Oostenrijkse regelgeving, die een recht op dergelijke vergoeding uitsluit in geval van verzoek tot pensionering.

Het Hof verwijst vervolgens naar haar vaste rechtspraak met betrekking tot het behoud van recht op jaarlijkse vakantie bij arbeidsongeschiktheid (zie toelichting hierboven bij het arrest Sobczyszyn). Het Hof preciseert daarbij dat, in dergelijk geval, een werknemer bij het einde van zijn arbeidsovereenkomst (ook bij pensionering) aanspraak kan maken op een financiële vergoeding voor de jaarlijkse vakantie met behoud van loon die hij niet heeft kunnen opnemen wegens ziekte.

Belang voor België
Tot slot kan nog worden opgemerkt dat in België in beginsel de regel wordt gehanteerd dat de eerst vaststaande schorsing primeert. Bijgevolg verliezen werknemers, op grond van de in België geldende praktijken (in strijd met de vaste rechtspraak van het Europees Hof van Justitie), in geval van ziekteverlof dat aanvangt tijdens een vastgestelde periode van vakantie hun recht op deze vakantiedagen (artikel 68, 2°, b) van het koninklijk besluit van 30 maart 1967). Zij kunnen deze dagen dan ook niet later opnemen en hebben geen recht op financiële vergoeding voor dergelijke vakantiedagen bij het einde van hun arbeidsovereenkomst. Indien een concreet geschil hierover aanhangig wordt gemaakt bij de Belgische hoven en rechtbanken dienen deze zich echter te schikken naar de uitlegging die het Hof van Justitie heeft gegeven aan artikel 7 van de Richtlijn, zodat deze bijgevolg gehouden zullen zijn afwijkende regelingen of praktijken buiten toepassing te laten. De besproken zaken hebben dus ook gevolgen voor de Belgische rechtsorde.

Tim Perdieus

Fieldfisher

Expat News

Meer diepgaande besprekingen over de sociale en fiscale implicaties van grensoverschrijdende tewerkstelling vindt u in Expat news.

Zowel de wetgeving en rechtspraak rond buitenlandse werknemers in België en Belgische werknemers in het buitenland komen aan bod.

Expat news wordt samengesteld door de top van de consultancy: Fieldfisher WBCJ en PwC.


Gepubliceerd op 16-11-2016

Berichttitel

Berichtomschrijving
  593