Wetsontwerp houdende diverse sociale bepalingen ingediend in de Kamer

 1.   Afzien van en kwijtschelding van burgerlijke sancties door RSZ: beroep tegen beslissing RSZ

 Aan de werkgevers die hun socialezekerheidsverplichtingen niet binnen de wettelijke termijnen nakomen, kunnen burgerlijke sancties opgelegd worden.

 Zo zijn de werkgevers die hun bijdragen niet binnen de wettelijke termijn betalen, aan de RSZ een bijdrageopslag van 10% en ook een verwijlinterest van 7% per jaar verschuldigd.

 De werkgever die de vereiste kwartaalaangiften en bijlagen niet op tijd aan de RSZ verschaft, moet een forfaitaire vergoeding betalen.

 De werkgever die voor een kwartaal voorschotten verschuldigd is en die zijn verplichtingen ter zake niet nakomt, is aan de RSZ een vaste vergoeding verschuldigd naar verhouding van de schijf van de aangegeven bijdragen voor het betrokken kwartaal.

 De RSZ kan in bepaalde gevallen en onder bepaalde voorwaarden afzien van de toepassing van de burgerlijke sancties of de burgerlijke sancties kwijtschelden of verminderen.

 Wanneer de RSZ die vrijstelling, vermindering of kwijtschelding weigert, kan de betrokken werkgever tegen die beslissing van de RSZ beroep in stellen bij de arbeidsrechtbank. In de wetgeving is geen termijn voorzien binnen dewelke dat beroep moet worden ingesteld. Het wetsontwerp legt die beroepstermijn vast op 3 maanden te rekenen vanaf de kennisgeving van de beslissing.

 Dezelfde beroepstermijn zal ook gelden voor het beroep van de werkgever tegen de beslissing van de RSZ tot niet-toepassing van de vrijstelling of de vermindering van de vaste vergoeding verschuldigd door de werkgever die één of meerdere voertuigen onderworpen aan de solidariteitsbijdrage bedrijfsvoertuigen (zie punt 2) niet heeft aangegeven of die één of meerdere valse aangiften heeft gedaan om de betaling van (een deel van) de bijdrage te ontduiken.

2.   Solidariteitsbijdrage op  utilitaire voertuigen

 De werkgever die een voertuig dat ook voor andere dan loutere beroepsdoeleinden is bestemd, rechtstreeks of onrechtstreeks ter beschikking stelt van zijn werknemer, is de forfaitaire solidariteitsbijdrage bedrijfsvoertuigen verschuldigd. Het bedrag van die bijdrage is afhankelijk van het CO2-uitstootgehalte en het type brandstof van het voertuig.

 Aldus bepaalt het wetsontwerp dat, voor wat betreft utilitaire voertuigen:

·         het privégebruik (in tegenstelling tot bij gewone voertuigen) niet wordt vermoed;

·         het privégebruik van het utilitair voertuig kan vastgesteld worden door de inspectiediensten in welk geval de bijdrage wel verschuldigd is;

·         de verplaatsingen van de woonplaats naar de vaste werkplaats (in tegenstelling tot de verplaatsingen met een gewoon voertuig) niet worden beschouwd als woon-werkverplaatsingen die aanleiding geven tot het aanrekenen van de bijdrage.

Net als de RSZ definieert het wetsontwerp een utilitair voertuig als een lichte vrachtauto in de zin van de fiscale wetgeving.

 Het wetsontwerp neemt ook de invulling door de RSZ van het begrip woon-werkverplaatsingen over. Woon-werkverplaatsingen die aanleiding geven tot toepassing van de bijdrage zijn de verplaatsingen met een gewoon (niet-utilitair) voertuig van de woonplaats naar een vaste werkplaats. Onder vaste werkplaats wordt verstaan de plaats waar de werknemer effectief prestaties van een bepaalde omvang levert en waarnaar de werknemer zich minstens 40 dagen per jaar begeeft, ongeacht of het opeenvolgende dagen zijn of niet.

3.   Tweede fase Wijninckxbijdrage uitgesteld met één jaar

 Sinds de programmawet van 22 juni 2012 is een werkgever die ten gunste van een werknemer stortingen doet voor de opbouw van een aanvullend pensioen, in bepaalde gevallen een bijzondere bijdrage van 1,5 % verschuldigd bovenop de al lang bestaande bijzondere bijdrage van 8,86 % op de stortingen voor buitenwettelijke pensioenvoordelen (zie www.sociaalcompendium.be). Deze bijdrage wordt de Wijninckxbijdrage genoemd.

 De regels die bepalen wanneer de bijdrage verschuldigd is, verschillen evenwel naargelang de bijdrage verschuldigd is in de periode vóór 1 januari 2016, dan wel vanaf 1 januari 2016. Er wordt gewerkt met een overgangsregeling enerzijds en een definitieve regeling anderzijds. Vanaf 1 januari 2016 zou de zogenaamde definitieve regeling in werking treden. Het wetsontwerp stelt de invoering van de definitieve regeling uit tot 1 januari 2017.

Deze tekst is een overname van SoCompact, het e-zine van Van Eeckhoutte, Taquet & Clesse

Gepubliceerd op 29-06-2015

Berichttitel

Berichtomschrijving
  218