Werkzoekende in ‘cohousing’ heeft recht op werkloosheidsuitkering als alleenstaande

/media/3164/_legalworld_uploadedimages_home_image002-871.jpgIn navolging van een recent arrest van het arbeidshof in Brussel zal bij het bepalen van de hoogte van de werkloosheidsuitkering van de werkzoekende-huisgenoot binnen een cohousing niet langer rekening kunnen worden gehouden met het inkomen van de andere huisgenoten, bij gebrek aan gemeenschappelijk huishouden tussen de samenwoners. Met deze beslissing wordt de bestaande praktijk van de RVA teruggefloten, die erin bestond om een werkzoekende die in cohousing leefde automatisch te beschouwen als ‘samenwonende zonder gezinslast’ en niet als ‘alleenstaande’. De uitspraak wordt vandaag besproken in De Juristenkrant.

U kunt de volledige Juristenkrant nr. 316 lezen op Jura .


Sita Vanbinst

Bij het bepalen van de hoogte van de werkloosheidsuitkering wordt in principe rekening gehouden met het inkomen van de personen die feitelijk woonachtig zijn op het adres van de aanvrager. De werkloosheidsreglementering veronderstelt immers het bestaan van solidariteit tussen de samenwoners.

In onze huidige maatschappij bestaat er echter een belangrijke tendens van midden-twintigers en jonge dertigers die er bewust voor kiezen tijdelijk samen te hokken, zonder een verankerde solidariteit onderling. Zo laat het gemeenschappelijk woonbudget van de betrokkenen toe om in centrum Brussel een herenhuis met tuin te huren, terwijl met een kwart van dat budget hoogstens een klein appartementje gehuurd kan worden. Ook verschillende tv-series illustreerden de vele voordelen van dat type wonen.

In een tijd van hoge jeugdwerkloosheid, zeker in de steden, is het in dat licht laakbaar een werkzoekende-huisgenoot te ‘bestraffen’ door zijn uitkering in te korten rekening houdend met het inkomen van de huisgenoten. Het klopt niet dat een (langdurig) werkzoekende op die manier in de eenzaamheid geduwd wordt, terwijl net de huisgenoten vaak het nodige draagvlak kunnen zijn om de betrokkene opnieuw in de arbeidsmarkt op te nemen. Het is niet uitgesloten dat dit beleid onder meer armoede op lange termijn in de hand werkt.


Geen solidariteit

De werkloosheidsreglementering definieert ‘samenwonen’ als: (1) het onder hetzelfde dak samenleven van twee of meer personen en (2) de huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelen. In tegenstelling tot het algemene werkloosheidsbeleid van de RVA en de beslissing van de eerste rechters, oordeelt het arbeidshof in het concrete geval dat ‘de samenhuizers’ niet vallen onder het begrip ‘samenwoning’ in de zin van de werkloosheidsreglementering aangezien de tweede voorwaarde ‘gemeenschappelijk huishouden’ niet vervuld is.

Het arbeidshof stelt vast dat er tussen de huisgenoten geen gemeenschappelijk huishouden bestaat. Met de samenwoning beogen de huisbewoners immers, naast de fijne sociale aspecten ervan, schaalvoordelen te realiseren zonder dat er een werkelijke solidariteit tussen de bewoners zou ontstaan. Opdat er sprake zou zijn van ‘samenwoning’, is vereist dat de werkzoekende de huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelt. Het arbeidshof beoordeelt de feitelijke elementen van het dossier en stelt vast dat die voorwaarde niet vervuld is. Zo is iedere bewoner verantwoordelijk voor het onderhoud van zijn eigen kamer met beurtrol voor de gemeenschappelijke delen, hebben ze eigen compartimenten in de ijskast, doen ze beperkte gemeenschappelijke aankopen (kruiden, olijfolie, wc-papier), is er geen gemeenschappelijke was of strijk of nog geen gemeenschappelijke aankopen voor vrijetijdsbesteding. Kortom, er is geen sprake van een gemeenschappelijk budget waaruit een vaststaande solidariteit tussen de bewoners blijkt. Het arbeidshof oordeelt daarom dat ondanks de feitelijke samenwoning, de werkzoekende, in de zin van de werkloosheidsreglementering beschouwd moet worden als ‘alleenstaande’.

De uitspraak van het arbeidshof moet bijgetreden worden. Ingeval van werkloosheid van één van de huisgenoten, zal er niet geraakt worden aan het algemene systeem van gelijke verdeling van de gemeenschappelijke onkosten of de betaling van de huurprijs. Terecht heeft het arbeidshof vastgesteld dat in het licht van de werkloosheidsreglementering de gelijkstelling tussen - klassiek - een samenwonend koppel en de samenwoners in cohousing niet opgaat.

Praktische gevolgen

Het concept ‘cohousing’ biedt tal van voordelen en betekent een meerwaarde voor onze maatschappij. Zo kunnen (jonge) werkers en werkzoekenden de stap naar zelfstandig wonen zetten zonder dat zij louter uit financiële overwegingen in Hotel Mama zouden blijven. Het is dan ook noodzakelijk dat de wetgeving en de administratie op die bestaande praktijk inspelen. Bovendien is het concept niet nieuw. Met het arrest werd een belangrijke stap in de goede richting gezet. Een werkzoekende-huisgenoot zal nu beschouwd moeten worden als ‘alleenstaande’ bij de toekenning van een werkloosheidsuitkering wanneer er geen solidariteit tussen de bewoners bestaat. De vraag is natuurlijk of de diensten van de RVA zich automatisch zullen schikken naar deze rechtspraak, wat enkel bereikt zal kunnen worden met een aanpassing van de werkloosheidsreglementering waarin duidelijke en welomlijnde criteria worden vastgelegd om de verschillende ‘samenwonings’-vormen van elkaar te onderscheiden.

Tot slot heeft cohousing ook in andere juridische domeinen een weerslag. Zo dringt zich een aanpassing op van de wetgeving van de woninghuur. Cohousing is geen stabiel 3-6-9-verhaal, maar een verhaal dat constant onderhevig is aan veranderende Facebook-statussen, waardoor een meer flexibele huurovereenkomst, met voldoende waarborgen voor de eigenaar, nodig is.

De auteur is advocaat.

Arbh. Brussel 2 april 2015, AR 2014/AB/784

http://jure.juridat.just.fgov.be

Gepubliceerd op 29-10-2015

Berichttitel

Berichtomschrijving
  988