Wachtdiensten thuis na het Matzakarrest

In het arrest Matzak beschouwt het Hof van Justitie wachtdiensten thuis, waarbij de werknemer binnen 8 minuten gehoor moet kunnen geven aan een oproep van zijn werkgever, integraal als arbeidstijd. Heleen Franco, Liesbet Vandendriessche en Stijn Demeestere maken een grondige analyse van dit arrest in het licht van eerdere Europese en Belgische rechtspraak. Hun bijdrage verscheen op 30 januari 2019 in aflevering 395 van het Nieuw Juridisch Weekblad (NjW).

Gepubliceerd op 30-01-2019

Brecht Warnez
Brecht Warnez
bastenier-alexandre
Bastenier Alexandre
brandweer

x

x

Kwalificatie van wachtdiensten thuis door het Hof van Justitie vóór Matzak

Vóór het arrest Matzak oordeelde het Hof van Justitie dat wachtdiensten thuis, waarbij de werknemer permanent beschikbaar moet zijn om gehoor te geven aan oproepen van zijn werkgever, maar zonder de verplichting om aanwezig te zijn op een door de werkgever aangewezen plek, enkel arbeidstijd zijn wanneer de werknemer effectief arbeidsprestaties verricht. Het Hof van Justitie ging er namelijk van uit dat de werknemer gedurende die wachtdiensten thuis voldoende vrijheid had om zijn tijd te besteden zoals hij zelf wilde en daardoor niet ter beschikking stond van de werkgever.

Wachtdiensten op de arbeidsplaats werden daarentegen integraal als arbeidstijd beschouwd.

Vanuit juridisch standpunt kijk ik uit naar hoe de rechtbanken zullen omgaan met de nieuwe structuren bij de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden. De decreetgever heeft het aantal bestuurders bij de intercommunales drastisch willen verminderen waardoor heel wat gemeenten niet meer vertegenwoordigd zijn. Naar mijn mening staat dit op gespannen voet met de in house-doctrine die ervoor zorgt dat de transacties tussen de gemeenten en de intercommunales niet onder de algemene overheidsopdrachtenregels vallen.

Brecht Warnez

Kwalificatie van wachtdiensten thuis door de Belgische arbeidsgerechten

In lijn met de Europese rechtspraak, waren de Belgische arbeidsgerechten van mening dat een wachtdienst thuis die effectief in arbeidsprestaties wordt omgezet, als arbeidstijd moest worden beschouwd. Meer onzekerheid bestond er aanvankelijk over de kwalificatie van wachtdiensten thuis wanneer de werkgever beschikbaar moest zijn maar nooit werd opgeroepen.

Bepaalde rechtspraak meende dat wachtdiensten buiten de arbeidsplaats arbeidstijd konden zijn, in de mate dat de werknemer daadwerkelijk beknot was in zijn vrijheid om over zijn tijd te beschikken en in die optiek ter beschikking stond van zijn werkgever.

Het Hof van Cassatie maakte echter komaf met deze strekking in de rechtspraak met zijn arrest van 10 maart 2014 door te oordelen dat wachtdiensten waarbij de fysieke aanwezigheid op de arbeidsplaats niet vereist is, geen arbeidstijd zijn. Volgens het Hof van Cassatie is het irrelevant dat de bewegingsvrijheid van de werknemer beperkt is tijdens de wachtdienst omdat hij binnen een bepaalde straal van de arbeidsplaats moet verblijven om die binnen een bepaalde tijd te kunnen bereiken.

Het arrest Matzak

Op 21 februari 2018 moest het Hof van Justitie zich opnieuw uitspreken over de kwalificatie van wachtdiensten thuis als arbeidstijd. Het Hof oordeelde dat wachtdiensten thuis van een vrijwillig brandweerman (Matzak) die binnen 8 minuten gehoor moest kunnen geven aan een oproep van zijn werkgever, integraal als arbeidstijd moesten worden beschouwd aangezien:

  • de werknemer tijdens de wachtdiensten fysiek aanwezig moet zijn op een door de werkgever aangewezen plek; en
  • de werknemer zich daar ter beschikking moeten houden om, indien nodig, onmiddellijk de nodige prestaties te leveren.

Die dubbele verplichting zorgt ervoor dat een werknemer in een situatie als Matzak vanuit geografisch en temporeel oogpunt beperkt is om zijn tijd aan zijn persoonlijke en sociale interesses te wijden.

In samenhang met dat laatste, is de impact van het WVV op de regelgeving omtrent VZW’s groot?

Recentelijk zijn er reeds een heleboel wijzigingen voor de VZW doorgevoerd en ook het WVV laat de VZW niet onberoerd. De belangrijkste wijziging bestaat erin dat de VZW onder het WVV elke economische activiteit onbeperkt mag uitvoeren. Momenteel is het namelijk zo dat een VZW wel economische activiteiten mag verrichten, zolang ze maar 'bijkomstig' zijn. Het onderscheid met vennootschappen zal dan liggen in het feit dat binnen VZW’s een verbod zal bestaan op rechtstreekse en onrechtstreekse uitkering van vermogensvoordelen aan leden en bestuurders. Daarnaast zal de werking van de VZW opvallend veel lijken op die van de vennootschap. Zo zal de beperking op de bestuurdersaansprakelijkheid ook van toepassing zijn, wordt er een belangenconflictregeling ingevoerd, enz.

Tot slot, zal het WVV er nog van komen?

Laat ons hopen dat het Belgische vennootschapsrecht in 2019 alsnog de 21e eeuw kan binnenrollen. Onze ondernemers verdienen een vennootschapsrecht dat hen de tools aanreikt voor een efficiënt en modern ondernemen.

Voorrecht VME

De wetgever verschaft een voorrecht aan de vereniging van mede-eigenaars. Artikel 27 van de Hypotheekwet zegt letterlijk: “De vereniging van mede-eigenaars heeft een voorrecht op de kavel in een gebouw of groep van gebouwen voor de bijdragen verschuldigd met betrekking tot deze kavel. Dit voorrecht is beperkt tot de bijdragen van het lopende boekjaar en het eraan voorafgaande boekjaar”.

Vergoeding syndicus

Syndici zullen in nieuwe contracten duidelijk de berekening van hun vergoeding moeten opnemen. Niet vermelde prestaties zullen niet worden vergoed, tenzij ze achteraf worden goedgekeurd door de algemene vergadering. Het is bijgevolg aangewezen om een lijst van forfaitaire prestaties en een lijst van aanvullende prestaties en hun vergoeding op te stellen. Deze regeling is enkel van toepassing op contracten die na 1 januari 2019 worden gesloten en/of verlengd worden.

Buitengewone werken

Het is de taak van de syndicus om buitengewone werken die in de komende jaren te voorzien zijn, op de agenda van de algemene vergadering te plaatsen. Ook moet er een begroting worden opgemaakt om deze werken te kunnen realiseren.

De auteurs

Heleen Franco, Liesbet Vandendriessche en Stijn Demeestere zijn advocaat.

 

 

  1087