‘Vrijheidsbeperkingen in de zorg moeten wettelijk geregeld worden’

Uit De Juristenkrant nr. 392 van 26 juni 2019

Bij de zorg voor personen in een residentiële voorziening wordt de vrijheid van de patiënten soms beperkt, bijvoorbeeld door bejaarden ’s nachts vast te maken in hun bed. Wat daarbij wel en niet kan en mag, hangt af van waar iemand terechtkomt (geestelijke gezondheidszorg, ouderenzorg, gehandicaptenzorg), hoe hij daar terechtkomt (vrijwillig of gedwongen), en wat hij nog zelf kan beslissen. In het Belgische recht zijn vrijheidsbeperkingen amper geregeld en daardoor zelden onder dwang toegestaan. Als ze toch plaatsvinden zijn ze meestal gebaseerd op de wilsonbekwaamheid. Het VN-verdrag voor de rechten van mensen met een handicap ziet dat anders: ook mensen met een beperking hebben hun autonomie en je mag waartoe ze cognitief in staat zijn niet als maatstaf nemen voor vrijheidsbeperkingen. Hoe het dan wel moet, vroegen we aan Tim Opgenhaffen die er onlangs aan de KU Leuven zijn doctoraat over presenteerde. Wanneer is vrijheidsbeperking gerechtvaardigd en wanneer niet?

Gepubliceerd op 27-06-2019

Annelien Keereman
Redacteur De Juristenkrant

‘Er bestaat niet echt een definitie van vrijheidsbeperking, dus ben ik op zoek gegaan naar wat precies bepaalt of iemands vrijheid beperkt is of niet. Daarbij zijn drie aspecten verweven met elkaar: de interne rechtspositie, de externe rechtspositie en de juridische bekwaamheid. De interne rechtspositie, met daarin onder meer hoe je tijdens een verblijf in een voorziening verzorgd wordt, wie je kan bezoeken, welke vrijheidsbeperkende maatregelen mogelijk zijn, en aan welke regels en afspraken je je moet houden, spreekt bij dat onderwerp voor zich. Die interne rechtspositie kan echter niet losgekoppeld worden van de externe rechtspositie: dat is de manier waarop je in de voorziening terecht komt. Is het een vrijwillige of een gedwongen opname? Heb je er zelf voor gekozen of heeft een familielid voor jou beslist? Wat tot slot vaak vergeten wordt, is dat ook de juridische bekwaamheid een rol speelt: de mate waarin het recht je erkent als iemand die beslissingen kan nemen. Bij dementie is bijvoorbeeld de vraag in welke mate je kan beslissen waar je woont, wat je wil…: vanaf wanneer ga je beslissen in de plaats van iemand die dat zelf niet meer kan en wat doe je met het verzet van zo iemand? De wils- en handelingsonbekwaamheid en de vertegenwoordiging die daaruit volgen, lijken heel neutraal, maar als je er dieper op doordenkt zijn ze dat niet. Ze zijn gebaseerd op de keuze om het feit of iemand beslissingen kan nemen te laten afhangen van wat hij cognitief kan. Daar beperken we de vrijheid al. Dat kan tegelijk heel verantwoord zijn, maar je moet wel beseffen dat het daar begint.’

Tim Opgenhaffen
(c) Wouter Van Vaerenbergh

Welke rol speelt het VN-verdrag voor mensen met een handicap voor de juridische bekwaamheid?

‘Het VN-verdrag wakkert dat bewustzijn aan, maar doet veel meer. Het stelt de manier waarop we de meeste vrijheidsbeperkingen vandaag verantwoorden, in vraag. Het comité dat toezicht houdt op het verdrag zegt dat de wilsbekwaamheid van een persoon niet als referentie genomen mag worden om een persoon van beslissingen uit te sluiten en in zijn plaats beslissingen te nemen. In het voorbeeld van het cijferslot is het voor de VN relevant dat de persoon met dementie de deur probeert te openen. Dat hij de gevolgen daarvan niet begrijpt, is voor de VN geen reden om die wilsuiting te negeren. Helaas zegt het verdrag niet wat we met zo’n wilsuiting dan wel moeten doen. Moeten we hem gewoon laten vertrekken? De gevolgen zijn verregaand.’

‘De verdragsluitende partijen hebben in 2006, toen ze het verdrag sloten, de impact ervan fout ingeschat.’

Afhankelijk van hoe iemand opgenomen wordt, gelden er andere regels.

‘België doet het niet zo goed op het vlak van de externe rechtspositie. Niet enkel door onduidelijke regels over de gedwongen opname, maar ook omdat de opname door een vertegenwoordiger of familielid niet voldoende geregeld is. Zeker in de ouderen- en gehandicaptenzorg spelen familieleden vaak een belangrijke rol, zonder dat hier duidelijke waarborgen tegenover staan. Het bewind en de klassieke vertegenwoordiging worden bij de opname doorkruist door informele vertegenwoordiging. De wet patiëntenrechten heeft geen eenheid gecreëerd. Wie je vertegenwoordiger is, kan per zorgsector en zelfs per handeling verschillen.’

  467