Van aanvullend pensioen tot zware beroepen: welke maatregelen zijn er om langer te blijven werken?

We moeten met zijn allen langer gaan werken om de sociale zekerheid betaalbaar te houden. Maar welke maatregelen zijn er al genomen om werknemers aan te moedigen om langer aan de slag te blijven? We spraken met advocatenkantoor Claeys & Engels, naar aanleiding van de nieuwe editie van het boek ‘Actief eindigen’.

Gepubliceerd op 13-11-2018

istock_000061842140_medium

Wat zijn anno 2018 de belangrijkste aandachtspunten om ervoor te zorgen dat werknemers langer actief zijn?

Er moet vooral worden ingezet op werkbaar werk. Sinds een aantal jaren daalt het aantal werklozen in SWT drastisch doch men ziet een verhoging van het aantal langdurig zieken, voornamelijk bij oudere werknemers.

Tijdskrediet, landingsbanen en het nieuwe regime van zachte landingsbanen kunnen helpen om oudere werknemers langer aan de slag te houden.

De maatregelen die erop gericht zijn gepensioneerden aan de slag te houden door ze in aanmerking te laten komen voor flexi-jobs en het recht op arbeidsongeschiktheid te laten houden, missen hun doel ook niet.

Zijn er recent maatregelen ingevoerd die erop gericht zijn om “actief eindigen” aan te moedigen?

Sinds het Generatiepact van eind 2005 werden systematisch jaar na jaar maatregelen ingevoerd om langer werken aan te moedigen en vervroegd stoppen te ontmoedigen.

Het afgelopen jaar werd de activeringsbijdrage ingevoerd die wil verhinderen dat werkgevers oudere werknemers op non-actief zetten met behoud van (een deel van) hun loon. Hiervan werd in het verleden voornamelijk gebruik gemaakt in de financiële sector om herstructureringen te vermijden.

Sinds januari 2018 is die techniek aan banden gelegd en dit niet alleen in het kader van herstructureringen, maar ook in individuele eindeloopbaanregelingen. Werkgevers moeten immers een extra sociale zekerheidsbijdrage betalen telkens een werknemer gedurende een volledig kwartaal conventioneel wordt vrijgesteld van prestaties. De bijdrage is verschuldigd ongeacht de leeftijd van de werknemer, en wordt bepaald in functie van de leeftijd waarop de werknemer instapt in een systeem van conventionele vrijstelling van prestaties (hoe lager de leeftijd van de werknemer, hoe hoger het toepasselijke percentage).

De bijdrage bedraagt tussen 20% (en een minimum van 300 EUR) en 10% (en een minimum van 226.50 EUR) van het bruto trimesterloon en is verschuldigd bovenop de normale sociale zekerheidsbijdragen. Deze maatregel wordt bekritiseerd: de werknemers die op non-actief zijn, dragen immers sowieso nog volledig bij aan de sociale zekerheid. Onze regering is er echter van overtuigd dat de activeringsbijdrage nodig is om tot een mentaliteitswijziging te komen bij de werkgevers.

Met de wet Wendbaar en Werkbaar Werk werden er bovendien een aantal wijzigingen aangebracht voor deeltijdse arbeid. Meer bepaald kunnen vanaf 1 oktober 2018 ook deeltijdse werknemers met een vast uurrooster ingeschakeld worden in een glijdend uurrooster. Verder werden de formaliteiten van deeltijdse arbeid vereenvoudigd, hetgeen werkgevers kan aanmoedigen om deeltijdse werknemers in dient te nemen.

Zijn er nog belangrijke veranderingen op komst? Met welke (nieuwe) wetgeving moet rekening gehouden worden?

In het zomerakkoord van 2018 werd aangekondigd dat de loopbaan voor SWT op 62 jaar (cao 17) zal worden opgetrokken van 40 naar 41 jaar vanaf 2019. Het is nog niet duidelijk of het huidige onderscheid in loopbaan tussen mannen en vrouwen hiermee zou worden opgeheven.

Verder besliste de regering dat de leeftijd voor SWT voor ondernemingen in herstructurering zou worden opgetrokken naar 59 jaar in 2019 en naar 60 jaar in 2020. Het is de verwachting dat dezelfde leeftijdsvoorwaarde van toepassing zal zijn voor ondernemingen in moeilijkheden. Om deze werknemers aan te moedigen een nieuwe betrekking te vinden zullen werkgevers verplicht worden om een opleiding aan te bieden van minstens 3600 EUR aan iedere SWT’er die in een knelpuntberoep wil stappen.

Ook de zogenaamde landingsbanen (tijdskrediet voor oudere werknemers) zouden vanaf 2019 in de regel nog slechts mogelijk zijn vanaf de leeftijd van 60 jaar.

Vanaf 1 januari 2019 zou voor werknemers die minstens 58 jaar zijn, een nieuw recht op een zogenaamde “zachte landingsbaan” worden ingevoerd. Meer concreet betreft dit maatregelen tot verlichting van de werklast (bijvoorbeeld de omschakeling van ploegen- en nachtarbeid naar dagarbeid). In het kader van een dergelijke regeling kan de werkgever desgevallend een vergoeding ter compensatie van het loonverlies dat de oudere werknemer lijdt. Op die vergoeding zijn onder bepaalde voorwaarden geen sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd.

Zijn er belangrijke wijzigingen op het vlak van het rustpensioen geweest?

Tot 2012 kon een werknemer nog op de leeftijd van 60 jaar met vervroegd pensioen wanneer hij 35 loopbaanjaren had. Deze leeftijd- en loopbaanvoorwaarden zijn sindsdien gevoelig verstrengd, zowel door de regering Di Rupo als de regering Michel.

Vanaf 2019 is het in principe pas mogelijk om op de leeftijd van 63 jaar tot het vervroegd pensioen toe te treden na 42 loopbaanjaren. Deze maatregel treft vooral hoger opgeleide werknemers. Via de inkoop van studiejaren kan een hoger pensioen gekregen worden, maar een dergelijke inkoop heeft niet tot gevolg dat een werknemer ook vroeger met pensioen kan. Een werknemer die nooit aan het aantal vereiste loopbaanjaren geraakt zal dus pas op de normale wettelijke pensioenleeftijd met pensioen kunnen gaan.

Ook die wettelijke pensioenleeftijd wordt trouwens opgetrokken van 65 naar 66 in 2025 en naar 67 in 2030.

Daarnaast werden eind 2015 enkele maatregelen genomen op het vlak van aanvullende pensioenen die de vervroegde opname van het wettelijk pensioen ontmoedigen. Wie met wettelijk pensioen gaat is sinds 2016 verplicht om ook het aanvullend pensioen op te nemen en kan dus niet genieten van een verdere aanwas van reserves tot de eindleeftijd van het plan. Vooral werknemers die van een pensioenplan met vaste prestaties genieten (waarbij de reserve soms aanwast met 6%) kunnen door de vervroegde opname van hun wettelijk pensioen een aanzienlijk verlies aan aanvullend pensioen lijden.

Voor pensioenen die ingaan vanaf 2019 zullen bepaalde periodes van inactiviteit vanaf 2017 zoals (pseudo-)SWT en langdurige werkloosheid slechts een beperkte wettelijke pensioenopbouw opleveren. Via de beperking van de wettelijke pensioenopbouw worden dus ook bestaande uitstapregelingen ontmoedigd. Voor een werknemer die van het stelsel van SWT geniet, is het recent ook mogelijk gemaakt om het wettelijk pensioen vervroegd op te nemen in plaats van op de normale wettelijke pensioenleeftijd. Wij verwachten dat hier weinig gebruik van zal gemaakt worden aangezien hun vervangingsinkomen doorgaans hoger is dan de rente bij een vervroegd gepensioneerde en ze voor de periode van SWT ook nog een bijkomend wettelijk pensioen opbouwen.

Voor de toekomst is het vooral uitkijken naar de mogelijkheid voor werknemers om deeltijds met wettelijk pensioen te gaan. Daarnaast valt af te wachten of er een consensus bereikt kan worden over de lijst met “zware beroepen” in de privésector. Voor werknemers met een “zwaar beroep” zullen normaliter soepelere pensioenvoorwaarden gelden.

  382