Sociale partners geven een aanzet tot mobiliteitsbudget

In het interprofessioneel akkoord (IPA 2017-2018) zit een apart luik met ‘maatschappelijke uitdagingen’. Dat zijn maatschappelijke problemen die de sociale partners prioritair willen aanpakken. Mobiliteit is één van die ankerpunten.

De interprofessionele sociale partners hadden zich geëngageerd om tegen 31 maart (in de NAR-CRB) te bekijken hoe men dit budget kan uitwerken. Dat is nu gebeurd.

Een ‘mobiliteitsbudget’ is een budget op jaarbasis:

  • dat de werkgever aan de werknemers kan toekennen als alternatief voor de bedrijfswagen;
  • dat de werknemer kan aanvaarden of weigeren;
  • dat de werknemer de keuze geeft om zijn bedrijfswagen te vervangen of om te opteren voor de combinatie van een milieuvriendelijkere of goedkopere bedrijfswagen (minder hoge leasing- of afschrijvingskost) met duurzame vervoermiddelen en -diensten.

De sociale partners geven de voorkeur aan ‘intermodaliteit’ en duurzame mobiliteit, in plaats van de mogelijkheid om de bedrijfswagen om te zetten in een nettobedrag. Het unaniem advies nr. 2.030 heeft het dan ook over een geïntegreerd mobiliteitsbeleid dat een gedragswijziging moet aanmoedigen, en dat geen instrument van loonoptimalisatie mag zijn. Het is uiteraard ook de bedoeling om marktspelers te stimuleren om nieuwe duurzame mobiliteitsoplossingen te zoeken.

Dit zijn de krachtlijnen van het voorstel:

  • Werknemers die voor een mobiliteitsbudget kiezen, moeten het vrijgekomen saldo prioritair besteden aan duurzame vervoermiddelen en -diensten. In eerste instantie zijn dat abonnementen van het openbaar vervoer en/of de fiets (woon-werkverplaatsingen). Maar ze kunnen het geld ook besteden aan andere duurzame en gedeelde vervoermiddelen en –diensten, zoals deelauto’s en deelfietsen en vervoerbewijzen van het openbaar vervoer. Enkel het niet-bestede deel van het budget wordt aan de werknemer gestort.
  • De (para)fiscale stimulans voor het gebruik van het openbaar vervoer en de fiets is sterker dan wanneer het budget onmiddellijk netto wordt uitbetaald. Dat deel van het budget (woon-werkverplaatsingen) is volledig (para)fiscaal vrijgesteld. De (para)fiscale behandeling van het niet-bestede deel is enkel voordeliger dan het brutoloon wanneer een minimumbedrag van het mobiliteitsbudget werd besteed aan duurzame vervoermiddelen en –diensten. 
  • Het mobiliteitsbudget is budgettair neutraal voor de werkgever (geen extra kosten en administratie), voor de werknemers (geen loonverlies), en voor de staat en de sociale zekerheid.

Om die budgettaire neutraliteit te garanderen, vragen de sociale partners om ook te voorzien in werkbare en controleerbare antimisbruikmaatregelen. Ze vragen ook om het resterende deel van het budget voldoende zwaar te belasten.

Toch zal het mobiliteitsbudget niet volstaan. De sociale partners dringen dan ook aan op extra maatregelen:

  • de specifieke (para)fiscale behandeling van de bedrijfswagens (versnelde vergroening van het bedrijfswagenpark);
  • het (para)fiscale kader van de privéverplaatsingen voor woon-werkverkeer en zuiver privé (vereenvoudiging en harmonisering, bevorderen duurzame mobiliteit);
  • een geïntegreerd beleid inzake duurzame mobiliteit (met het mobiliteitsbudget als onderdeel, gesteund op een interfederale strategische mobiliteitsvisie).

NAR-advies nr. 2.030 van 7 april 2017

Gepubliceerd op 10-05-2017

Berichttitel

Berichtomschrijving
  76