NAR raakt het niet eens over antwoordplicht bij sollicitaties

De Nationale Arbeidsraad (NAR) heeft zich uitgesproken over de invoering van een antwoordplicht ten aanzien van sollicitanten. Daartoe moet de wet van 13 februari 1998 houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling worden aangepast. Maar de sociale partners hebben geen eenparig standpunt kunnen innemen.

Punt van discussie is de modernisering van de CAO nr. 38 van 6 december 1983 betreffende de werving en selectie van werknemers. Zo bekijkt de NAR onder andere of het wenselijk is dat artikel 9 van die overeenkomst algemeen verbindend wordt verklaard, zoals in het wetsvoorstel wordt beoogd.
 

De werkgevers geven een negatief advies. Ze bevelen de ondernemingen sterk aan om binnen een redelijke termijn op sollicitaties te antwoorden, maar het wetsvoorstel gaat volgens hen te ver en is bovendien onduidelijk opgesteld: 

  • Volgens het voorstel zal de werkgever elke persoon die schriftelijk of mondeling solliciteert binnen een termijn van 30 kalenderdagen schriftelijk op de hoogte moeten brengen ‘van de beslissing die ten aanzien van hem werd genomen’. De memorie van toelichting doet volgens de werkgevers uitschijnen dat het om een motiveringsplicht gaat.
  • Het voorstel kent de sollicitant een vorderingsrecht toe bij de arbeidsrechtbank binnen een termijn van 6 maanden.
  • Het voorstel voorziet ook in een gevangenisstraf van 8 dagen tot een maand en een geldboete van 26 tot 500 euro (wegens opdeciemen te vermenigvuldigen met 6), of met één van die straffen alleen.

De leden die de werkgeversorganisaties vertegenwoordigen kunnen hier absoluut niet mee akkoord gaan. Zij stellen dat het niet in verhouding zou zijn om het respecteren van een beleefdheidsplicht strafrechtelijk te sanctioneren. Dat is volgens hen vandaag zelfs nog meer pertinent dan toen de CAO nr. 38, meer dan 30 jaar geleden, werd afgesloten. De sollicitatietechnieken zijn immers sterk geëvolueerd.
 
Het aantal sollicitaties per openstaande functie en het aantal spontane sollicitaties is de laatste jaren ook sterk gestegen. De werkgevers leveren grote inspanningen om op al deze sollicitaties te antwoorden, maar het blijft onredelijk om daarvoor een resultaatsverbintenis op te leggen. De werkgeversvertegenwoordigers wijzen onder andere op de mogelijke problemen voor kmo’s en bedrijven met veel instapfuncties, en op sollicitaties die verloren gaan of nep zijn.

In de praktijk komt het dus voor dat sommige sollicitanten geen antwoord ontvangen. Deze onnauwkeurigheden of vergetelheden met strafsancties of burgerlijke sancties bestraffen, zou niet evenredig zijn en bovendien een sterk afschrikkend effect hebben op potentiële werkgevers.
Een eventuele motiveringsplicht wordt omschreven als ‘draconisch’. De werkgevers stellen zich ook vragen bij het arbeidsmarkteffect van een verplicht antwoord en bij de juridisering van de aanwervingsprocedure. De termijn van 30 dagen zou ook te kort zijn.

De leden die de werknemersorganisaties vertegenwoordigen, zijn daarentegen wel positief. Ze stellen vast dat het wetsvoorstel vertrekt van de vaststelling dat werkzoekenden vaak ontmoedigd worden door het uitblijven van een reactie van potentiële werkgevers. Hun zoekgedrag dreigt daardoor minder actief te worden. Een inhoudelijke toelichting is bovendien bijzonder leerrijk om in de toekomst efficiënter op zoek te gaan naar werk.

Langs werknemerskant gaat men er dus van uit dat het compleet onverantwoord is dat sollicitanten volledig in het ongewisse blijven. En de CAO nr. 38 heeft dit maatschappelijk probleem niet kunnen oplossen omdat de antwoordplicht opgenomen is in een obligatoire bepaling. Alleen de eerste 6 artikelen en artikel 19 van de CAO nr. 38 werden algemeen verbindend verklaard.

Voor de werknemersvertegenwoordigers is het dan ook van belang dat de antwoordplicht dwingender wordt gemaakt dan momenteel in de CAO nr. 38 het geval is, met een wettelijk of reglementair afdwingbaar recht op antwoord voor iedere sollicitant.

‘Het antwoord moet aangeven waarom de kandidaat niet werd weerhouden. Dit dient te gebeuren in begrijpelijke termen en binnen een redelijke doch welbepaalde termijn’, zo klinkt het. Het niet beantwoorden van sollicitaties moet ook gesanctioneerd kunnen worden. Het verlies van regionale doelgroepenverminderingen en structurele RSZ-kortingen zou bijvoorbeeld een gepaste sanctie kunnen zijn.

Tot slot stippen de werknemersvertegenwoordigers aan dat de bewijslast van het wel beantwoorden van de gerichte sollicitaties bij de werkgevers moet liggen. En dat een antwoordplicht onderdeel moet uitmaken van een globale strategie om de rechten van sollicitanten bij rekrutering en selectie te versterken en een gelijke behandeling te garanderen. 

Advies nr. 1.975 van 23 februari 2016, “Sollicitaties – Antwoorden aan sollicitanten”

Gepubliceerd op 04-04-2016

Berichttitel

Berichtomschrijving
  145