Matiging van concurrentiebedingen in het arbeidsrecht

In twee eerder recente arresten aanvaardt het Hof van Cassatie dat de rechter een ongeldig concurrentiebeding mag matigen tot zijn rechtmatige grenzen. Nick Hallemeesch betoogt dat dit ook mogelijk is voor concurrentiebedingen die zijn opgenomen in een arbeidsovereenkomst. Zijn bijdrage verscheen in het Nieuw Juridisch Weekblad (NjW) nr. 381 van 2 mei 2018. 

Gepubliceerd op 02-05-2018

hallemeesch-nick
Nick Hallemeesch
njw-381

Concurrentiebedingen zijn vanwege de principes van vrijheid van ondernemen en vrije mededinging, aan strenge geldigheidsvoorwaarden onderworpen. Zij mogen qua activiteiten, in de tijd en in de ruimte niet verder reiken dan dat rechtmatig belang vereist. In het arbeidsrecht gelden gelijkaardige geldigheidsvoorwaarden (art. 65, 86 en 104 AOW). Wanneer een concurrentiebeding te ruim is geformuleerd, rijst de vraag of de rechter het toepassingsgebied of de duur ervan mag matigen. In twee recente arresten aanvaardt het Hof van Cassatie uitdrukkelijk dat de rechter een te ruim geformuleerd concurrentiebedingen mag matigen, indien dat beantwoordt aan de partijbedoeling.

Volgens veel auteurs blijft de matiging echter uitgesloten voor concurrentiebedingen die zijn opgenomen in arbeidsovereenkomsten.

Ten eerste zou artikel 65 AOW de integrale nietigheid van het beding voorschrijven. Nochtans bepaalt die wetsbepaling enkel dat het ongeldige concurrentiebeding ‘nietig’ is, zonder te specificeren dat het om een integrale nietigheid moet gaan. Nu is de rechterlijke matiging volgens het Hof van Cassatie een vorm van partiële nietigheid, waardoor artikel 65 AOW zich niet a priori verzet tegen een matiging van een daarmee strijdig concurrentiebeding.

Ten tweede zou de matiging het afschrikeffect van de nietigheid doen verdwijnen. Werkgevers zouden door bij de matiging van een ongeldig concurrentiebeding niets te verliezen hebben, en dus ook geen stimulans hebben om het beding tot haar rechtmatige grenzen te beperken. Deze zienswijze is echter enkel gebaseerd op de (vermeende) voordelen van het afschrikeffect van de integrale nietigheid, zonder rekening te houden met de nadelen ervan. Partijen kunnen de rechtmatige grenzen van een concurrentiebeding immers nooit met zekerheid bepalen. De vraag op welke plaatsen de onderneming precies actief is, en welke activiteiten precies gelijksoortig zijn, is voor interpretatie vatbaar. Partijen stellen zich uit schrik voor de nietigheidssanctie terughoudend op bij het stipuleren van het concurrentiebeding. Dit betekent dat de werkgever niet ten volle zijn recht benutten om zijn cliënteel te beschermen. Dit is ook in het nadeel van de werknemer, omdat het ertoe leidt dat de arbeidsovereenkomst niet, of slechts aan minder gunstige voorwaarden tot stand komt.

Kortom, indien men rekening houdt met de gevolgen ervan op de contractsluiting ex ante, dan is de integrale nietigheid evenzeer in het nadeel van de werkgever als van de werknemer. Naar Nederlands en Frans voorbeeld is het dus wenselijk dat de rechter ook arbeidsrechtelijke concurrentiebedingen tot hun rechtmatige grenzen kan matigen.

  401