«Kennelijk onredelijk ontslag» volgens CAO nr. 109: ook in de publieke sector?

Kan er in de publieke sector ook sprake zijn van een kennelijk onredelijk ontslag volgens CAO nr. 109? Of bestaan er aparte regels voor deze sector? Advocatenkantoor Claeys & Engels bespreekt de stelsels van willekeurig ontslag, misbruik van ontslagrecht en kennelijk onredelijk ontslag in de publieke sector in de nieuwe editie van het Praktijkboek ontslag.

Gepubliceerd op 22-08-2017

istock_78559555_large

In het arbeidsrecht heeft er geruime tijd een onderscheid bestaan tussen het stelsel van het «willekeurig ontslag» uit artikel 63 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, dat enkel voorbehouden is aan werknemers tewerkgesteld met een arbeidsovereenkomst als arbeider, en de regels op het vlak van « misbruik van ontslagrecht » uit het Burgerlijk Wetboek en het gemeen contractenrecht, dat in principe openstaat voor alle werknemers, alhoewel vaker ingeroepen door individuele werknemers tewerkgesteld met een arbeidsovereenkomst als bediende.

Eenheidsstatuut

Artikel 38 van de wet van 26 december 2013 betreffende de invoering van een eenheidsstatuut tussen arbeiders en bedienden voorziet evenwel dat artikel 63 van de wet van 3 juli 1978 «ophoudt van toepassing te zijn», wanneer:

  • een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in de Nationale Arbeidsraad, algemeen verbindend verklaard door de Koning, betreffende de motivering van het ontslag door de werkgever, in werking zal treden voor de werkgevers die onder het toepassingsgebied van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités vallen en hun werknemers (het gaat om de werkgevers van de privé sector en enkele werkgevers van de publieke sector);
  • of, voor de werknemers die niet onder het toepassingsveld van de hierboven genoemde wet van 5 december 1968 vallen (de grote meerderheid van de werkgevers van de publieke sector) zodra « een vergelijkbare regeling » als deze voorzien voor de werkgevers van de privé sector in werking zal treden.

CAO nr. 109

Op 1 april 2014, is de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 109 van 12 februari 2014, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, betreffende de motivering van het ontslag, in werking getreden. Deze CAO voorziet enerzijds in het recht voor een werknemer om de werknemer te vragen naar de concrete motieven van zijn ontslag en voorziet anderzijds in regels op het vlak van het « kennelijk onredelijk ontslag ».

Met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 december 2013, heeft de inwerkingtreding van deze CAO aldus, voor de arbeiders van de privésector, geleid tot het einde van de toepassing van artikel 63 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.

Grondwettelijk Hof

In het arrest nr. 187/2014 van 18 december 2014, heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat artikel 63 van de wet van 3 juli 1978 discriminatoir was. Om evenwel geen aanzienlijke juridische onzekerheid teweeg te brengen, heeft het Hof besloten om de vaststelling van ongrondwettelijkheid te moduleren door aan te geven dat de gevolgen van artikel 63 van de wet van 3 juli 1978 moesten worden behouden tot 1 april 2014, zijnde de datum van inwerkingtreding van de CAO nr. 109.

Het arrest van het Grondwettelijk Hof van 18 december 2014 had als onverwacht gevolg dat er een debat ontstond over het willekeurig ontslag in de publieke sector, waarop de CAO nr. 109 niet van toepassing is.

Zo hebben sommigen ervoor gepleit dat artikel 63 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gezien het discriminatoir verschil in behandeling tussen arbeiders en bedienden, zoals uitgesproken door het Hof op het vlak van het willekeurig ontslag, niet enkel moest worden toegepast op arbeiders (bij gebrek aan specifieke regelgeving in de publieke sector is deze bepaling ook nog steeds op hen van toepassing), maar ook op bedienden.

In een arrest van 30 juni 2016 (nr. 101/2016), heeft het Grondwettelijk Hof beslist dat artikel 63 van de wet van 3 juli 1978 vanaf 1 april 2014 niet meer van toepassing is op arbeiders (noch op bedienden) en dit zelfs indien deze zijn tewerkgesteld door een werkgever uit de publieke sector, voor wie de wetgever talmt om een “vergelijkbare regeling” aan diegene van CAO nr. 109 betreffende de motivering van het ontslag en van het “kennelijk onredelijk ontslag” aan te nemen. In dit verband heeft het Grondwettelijk Hof, in het arrest van 30 juni 2016, gepreciseerd dat: “In afwachting van het optreden van de wetgever het toekomt aan de rechtscolleges, met toepassing van het algemene verbintenissenrecht, de rechten van alle werknemers in de publieke sector bij een kennelijk onredelijk ontslag zonder discriminatie te vrijwaren, waarbij zij zich in voorkomend geval kunnen laten leiden door de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 109”.

Kennelijk onredelijk ontslag

De wetgever is, krachtens artikel 38 van de wet van 26 december 2013 betreffende de invoering van het eenheidsstatuut tussen arbeiders en bedienden, ertoe gehouden om voor de werkgevers uit de publieke sector, een «regeling gelijkaardig» aan deze van de CAO nr. 109 aan te nemen. Op heden werd een dergelijke regeling nog niet aangenomen.

In afwachting kan de CAO nr. 109 ons inziens niet naar analogie worden toegepast op de werknemers uit de publieke sector, zelfs niet via de artificiële constructie van het rechtsmisbruik, omdat anders voorwaarden worden toegevoegd aan de uitoefening van het ontslagrecht die niet door de wet zijn voorzien.

  1397