Kennelijk onredelijk ontslag, concurrentie en misbruik van ontslagrecht

Kunnen de vergoedingen wegens kennelijk onredelijk ontslag en een schadevergoeding wegens rechtsmisbruik gecumuleerd worden? Het arbeidshof van Luik herinnert ons er in een arrest van 24 augustus 2018 aan dat dit mogelijk is als de ingeroepen fout geen betrekking heeft op de redenen van het ontslag, maar bijvoorbeeld betrekking heeft op de omstandigheden waarin het werd gegeven.

Gepubliceerd op 21-01-2019

romane-saintes
Romane Saintes
Medewerker, Elegis Advocaten
rodrigue-capart
Rodrigue Capart
Vennoot, Elegis Advocaten
hand met blauw mannetje

Uiteenzetting van de feiten

Op 25 mei 2009 wordt de heer C. aangeworven als “Business Development Manager” door de vennootschap N, waarvan het maatschappelijk doel de ontwikkeling van lokale economische activiteiten beoogt, met name door het toekennen van leningen of het nemen van deelnemingen, en door opdrachten van advies, ingenieursexpertise en dienstverlening.

Op 1 april 2014 richtten de heer C. en zijn echtgenote de bvba L op, waarvan het maatschappelijk doel onder meer de verlening van diensten en mandaten beoogt in de vorm van advies, financiële analyse en marktstudies, bedrijfsbeheer enz.

[...]

Op 5 november 2014 heeft de werkgever de arbeidsovereenkomst met de heer C. met onmiddellijke ingang beëindigd, met betaling van een compensatoire opzeggingsvergoeding.

Bij aangetekende brief van 12 februari 2015 heeft de vennootschap N. aan de heer C., ten gevolge van een schriftelijk verzoek van laatstgenoemde, de concrete redenen van zijn ontslag meegedeeld. Deze redenen hebben te maken met de uitoefening door de heer C. van een bijkomende beroepsactiviteit in dezelfde activiteitensector die een situatie van concurrentie of een belangenconflict veroorzaakt of kan veroorzaken met de taken die onder zijn arbeidsovereenkomst vallen, alsook met de weigering van de heer C. om af te zien van deze nevenactiviteit.

In september 2015 heeft de heer C. zijn ontslag betwist.

Het bestreden vonnis

In eerste aanleg vorderde de heer C. de veroordeling van de vennootschap N tot betaling van 43.861,70 euro als vergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag. In ondergeschikte orde vorderde hij hetzelfde bedrag als schadevergoeding wegens misbruik van ontslagrecht.

Bij vonnis van 12 juni 2017 heeft de arbeidsrechtbank de vordering ontvankelijk maar ongegrond verklaard.

De heer C. heeft vervolgens hoger beroep aangetekend.

Beslissing van het arbeidshof

De vergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag

Het hof legt eerst en vooral uit dat de door de vennootschap N aangevoerde redenen zowel betrekking hebben op het gedrag van de heer C. als op de noodwendigheden inzake de werking van onderneming N en dus a priori rechtmatig zijn in de zin van artikel 8 van cao nr. 109.

[...]

Het hof buigt zich vervolgens over de werkelijkheid van de redenen die worden ingeroepen door de vennootschap N.

In de eerste plaats, wat het concurrerende karakter van de activiteiten van beide vennootschappen betreft, is het hof van oordeel dat uit de vergelijking van de maatschappelijke doelen van beide vennootschappen duidelijke gelijkenissen en een mogelijke concurrentie tussen hun respectieve activiteiten blijken. Het hof verduidelijkt dat deze vaststelling niet in twijfel wordt getrokken door het feit dat de twee vennootschappen eveneens andere activiteiten uitoefenden dan die die zij gezamenlijk hadden, noch door het feit dat de vennootschap L haar activiteiten wilde uitoefenen in een ruimere context dan de vennootschap N en ten slotte al evenmin door het feit dat de activiteiten van de vennootschap L tijdelijk waren.

Vervolgens is het hof van oordeel dat de vennootschap N terecht het risico van een belangenconflict tussen de twee activiteiten heeft aangehaald, aangezien moet worden gevreesd dat de heer C. zijn activiteit binnen de vennootschap N aanwendt ten gunste van zijn nevenactiviteit of in het kader van zijn hoofdactiviteit de van hem verwachte objectiviteit verliest. De door de vennootschap N aangevoerde redenen zijn volgens het hof dus bewezen, zodat het geen kennelijk onredelijk ontslag betreft. Het hoger beroep wordt op dat punt ongegrond verklaard.

De schadevergoeding wegens misbruik van ontslagrecht

Het hof herinnert er eerst aan dat, rekening houdend met het verbod van cumulatie van de vergoedingen van artikel 9 van cao nr. 109, het vereist is dat de door de werknemer ingeroepen fout geen betrekking heeft op de redenen van het ontslag die door die overeenkomst worden beoogd, maar dat zij bijvoorbeeld betrekking heeft op de omstandigheden waarin het werd gegeven.

[...]

Het hof besluit daaruit dat de vennootschap N met een ongewettigde en foutieve haast heeft gehandeld en dat deze fout in hoofde van de heer C. een gevoel van brutaliteit en terging heeft veroorzaakt, dat een morele schade heeft veroorzaakt die onderscheiden is van de schade die gedekt wordt door de verbrekingsvergoeding, die door het hof wordt begroot op 7.500 euro. Het hoger beroep is in dit opzicht dus gedeeltelijk gegrond.

Belang van de beslissing

Dit besluit is op twee niveaus interessant.

Vooreerst neemt het arbeidshof van Luik in dit arrest een standpunt in dat overeenstemt met zijn vroegere rechtspraak. Het is immers van oordeel dat de inwerkingtreding van cao nr. 109 de ontslagen werknemer niet de mogelijkheid heeft ontnomen om een schadevergoeding te vorderen wegens rechtsmisbruik, op voorwaarde echter dat de ingeroepen fout geen betrekking heeft op de redenen van het ontslag, maar bijvoorbeeld betrekking heeft op de omstandigheden waarin het werd gegeven.

Ten tweede verstrekt het Hof ons verduidelijkingen over de manier waarop een ontslagreden moet worden behandeld met betrekking tot de uitoefening door de werknemer van een activiteit die een situatie van concurrentie ten aanzien van zijn werkgever veroorzaakt of kan veroorzaken of die belangenconflicten kan veroorzaken.

Het hof verduidelijkt enerzijds dat deze reden zowel onder het gedrag van de werknemer valt als onder de noodwendigheden inzake de werking van de onderneming, zodat ze a priori rechtmatig is in de zin van artikel 8 van cao nr. 109.

Het hof verduidelijkt bovendien dat de beperking of het verbod door een werkgever van een dergelijke activiteit wettelijk is in zoverre zij haar oorsprong vindt zowel in artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek als in artikel 17,3° van de wet van 3 juli 1978 en bijgevolg rechtmatig is.

Bron:  Arbh. Luik, afdeling Namen, 6e kamer, 24 augustus 2018 – AR nr. 2016/AN/164

  1126