Kan een spreekverbod opgelegd worden bij ontslag?

SilencedHet ontslag van Karl Drabbe bij Pelckmans doet heel wat stof opwaaien. Bronnen leggen een rechtstreeks verband tussen het ontslag van Drabbe en diens engagement bij het Vlaams-radicale Doorbraak (bron: De Morgen, 17/08/2015). Willy van Eeckhoutte bespreekt op de WikiSoc blog de mogelijkheid van een spreekverbod bij een ontslag, en neemt hierbij aan dat de werknemer in kwestie om politieke redenen is ontslagen (wat in dit geval niet duidelijk is).


Arbeidsrechtelijke redenen
Om welke “arbeidsrechtelijke redenen” zou de ontslagen werknemer niet kunnen reageren op het ontslag?


Vooreerst is er een verschil tussen kunnen en mogen. Van Eeckhoutte veronderstelt dat het hier over mogen zal gaan. Hij ziet maar twee mogelijkheden waarom de werknemer niet zou mogen reageren.

  1. Omdat hij zich daartoe heeft verbonden bij de regeling die blijkbaar werd getroffen met het oog op of n.a.v. de uitdiensttreding. Verstandige partijen zullen een schadevergoeding bedingen bij overtreding van die verbintenis.
  2. De werknemer wil “de goede naam“ van zijn (gewezen) werkgever niet in het gedrang brengen door ruchtbaar te maken dat politieke redenen aan de basis liggen van de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst.

Beide zijn echter gemeenrechtelijke verplichtingen, die respectievelijk berusten op een overeenkomst en op de goede trouw.

Politieke redenen
Bestaat er dan geen bescherming tegen ontslag wegens politieke redenen?


Toch wel. De politieke overtuiging is één van de criteria waarop een werkgever niet mag discrimineren (art. 3 Antidiscriminatiewet). Die wet is van toepassing op ontslagregelingen (art. 4, 1°, en 5, § 1, 5°, en § 2, 3°, Antidiscriminatiewet). De laatstgenoemde bepaling vermeldt zelfs expliciet “maatregelen die worden getroffen naar aanleiding van de beëindiging van de professionele relatie”.


Die wet verbiedt o.a. elke vorm van directe discriminatie op grond van politieke overtuiging (art. 14). Elk direct onderscheid op grond van politieke overtuiging vormt een directe discriminatie, tenzij dit directe onderscheid objectief wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn (art. 7).


Louter op basis van de gegevens die de media verspreidden, lijkt dat laatste hier niet het geval te zijn: het ontslag van een uitgever omwille van zijn politieke overtuiging kan zich niet opdringen omwille van bv. de neutraliteit of een andere politieke overtuiging van de uitgever, wanneer die uitgever zelf boeken uitbrengt van politici van dezelfde strekking (Willy van Eeckhoutte benadrukt dat niet duidelijk is of de werknemer werkelijk om politieke redenen is ontslagen, evenmin als welk legitiem doel de uitgever daarvoor in werkelijkheid inroept).

Gevolg
Een werknemer die wordt ontslagen omwille van zijn politieke overtuiging terwijl andere werknemers niet worden ontslagen omdat zij die politieke overtuiging niet hebben, wordt gediscrimineerd.

Wat zou het gevolg daarvan kunnen zijn?


Naast de klachten en de vorderingen die de wet mogelijk maakt, zijn ook alle bepalingen die strijdig zijn met de wet, nietig (art. 15 Antidiscriminatiewet). Een beding dat een zwijgplicht oplegt over een reden die tot de beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft geleid, lijkt onmiskenbaar "strijdig" met de wet.

Conclusie
Een “spreekverbod” waartoe een werknemer zich verbindt die omwille van zijn politieke overtuiging werd ontslagen, is nietig.

Bron: WikiSoc blog 

Meer informatie over het discriminatieverbod vindt u op SocialEye door te zoeken op ‘discriminatieverbod’.

Gepubliceerd op 20-08-2015

Berichttitel

Berichtomschrijving
  213