Jaarlijkse vakantie: een recht voor iedereen?

Het principe lijkt eenvoudig: werknemers in de privésector hebben recht op 4 weken betaalde vakantie. De praktijk blijkt echter heel wat complexer te zijn.

Wij spraken met Gerrit Van de Mosselaer, beleidsadviseur bij de FOD Sociale Zekerheid, en auteur van het boek ‘Jaarlijkse vakantie’.

Gepubliceerd op 27-07-2018

fashion-985556_1920

Welke evoluties waren er de laatste jaren voor de jaarlijkse vakantie?

De basisregel voor de privésector in het Belgisch wettelijk kader is nog steeds de opbouw van vakantierechten voor het volgende kalenderjaar op basis van de tewerkstelling in het huidige kalenderjaar. De wettelijke vakantie is met andere woorden pas welverdiend na het leveren van arbeidsinspanningen.

De laatste jaren is het toepassingsgebied vooral uitgebreid naar situaties die vroeger – omwille van deze basisregel – niet in aanmerking kwamen voor een wettelijk minimumrecht van 4 volle weken vakantie: jeugdvakantie voor afgestuurde jongeren, seniorvakantie voor oudere werknemers die het werk hervatten na een langere inactiviteitsperiode en/of aanvullende vakantie voor (andere) werknemers die een activiteit als werknemer opstarten of hervatten.

Deze aanpassingen waren ook noodzakelijk om te beschikken over een Belgisch kader dat in overeenstemming is met de Europese Richtlijn 2003/88/EG betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd en de interpretatie hiervan door het Europees Hof van Justitie.

Daarnaast werd de controle op de naleving van de jaarlijkse vakantiewetgeving sinds 1 juli 2017, ten gevolge van de redesign van de federale overheid, overgedragen aan de dienst Toezicht op de Sociale Wetten van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.

Heeft iedereen recht op vakantie?

Een basisvoorwaarde voor het recht op vakantie is de onderwerping aan de Belgische sociale zekerheid door middel van de betaling van sociale bijdragen.

Dit wil zeggen dat buitenlandse gedetacheerde werknemers buiten het toepassingsgebied van de Belgische vakantiewetgeving vallen, net als studenten die via het stelsel van studentenarbeid tewerkgesteld worden met enkel de betaling van een solidariteitsbijdrage en gelegenheidsarbeiders in bepaalde activiteitssectoren.

Kunnen vakantiedagen overgedragen worden naar het volgende jaar?

In de digitale samenleving wordt meer dan ooit het belang onderstreept van de mogelijkheid om regelmatig afwezig te kunnen en mogen zijn van het werk met behoud van loon. Het is een gedeelde verantwoordelijkheid van werkgever en werknemer om het wettelijk recht op vakantie gedurende een kalenderjaar uit te oefenen.

Tegen deze achtergrond kunnen vakantiedagen niet overgedragen worden naar een volgend kalenderjaar. Indien uitzonderlijke omstandigheden – bijvoorbeeld een langdurige ziekte – de volledige uitoefening van het recht op vakantiedagen belet, moeten in overeenstemming met de huidige regelgeving de niet-opgenomen vakantiedagen uitbetaald worden tijdens de maand december.

Welke uitdagingen zijn er nog?

Concrete toepassingsregels voor de financiering, de berekening en de betaling verschillen nog steeds naargelang de hoedanigheid van de werknemer, bediende of arbeider, en de vorm(en) van beloning.

De specifieke omschrijving van de berekeningsbasis bij bedienden voor variabel loon, vergt zo telkens specifieke aandacht rekening houdende met de mogelijke uitzonderingen.

Tegelijkertijd moet de vakantiewetgeving steeds vaker toegepast en geïnterpreteerd worden omwille van een steeds snellere rotatie van tewerkstellingssituaties in de meest diverse verschijningsvormen, inclusief het afwisselen van statuten.

Voor een aantal aspecten speelt ook nog de verzoening van het conceptueel verschil tussen de oorspronkelijke ontstaansgeschiedenis binnen het kader van de sociale zekerheid in België en de arbeidsrechtelijke benadering op Europees vlak een rol. 

Voor het beheer van de toekenning van het recht op jaarlijkse vakantie zal een grotere mate van vereenvoudiging en uniformiteit daarom een belangrijke uitdaging blijven.

Over de auteur

gerrit-van-de-mosselaer

Gerrit Van de Mosselaer is beleidsadviseur bij de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid na meer dan 10 jaar ervaring als jurist en beleidsmedewerker bij de Sociale Inspectie binnen deze overheidsdienst.

Zijn academisch curriculum omvat een licentiaat rechten, een European Master Social Security en een Master Vennootschapsrecht.

Hij is auteur van verschillende bijdragen inzake sociaal recht en sociaal strafrecht.

  813