Hoe zit het nu met de afwijkende opzegtermijnen voor bepaalde arbeiders uit PC 124 en PC 126?

QuestionIn het arrest nr. 116/2015 van 17 september 2015 heeft het Grondwettelijk Hof artikel 70, §4 van de wet van 26 december 2013 vernietigd. Hiermee maakt het Hof een einde aan de afwijkende opzegtermijnen die door de wet op het eenheidsstatuut voorzien waren voor bepaalde arbeiders uit de bouw- en stofferings/houtbewerkingssector die op tijdelijke werven aan de slag zijn.


Het Hof handhaaft de gevolgen van deze bepaling evenwel tot 31 december 2017.


Welke gevolgen heeft dit arrest nu?


Op de site van de FOD Waso vinden we volgende mededeling :


"Ingevolge dit arrest zal het afwijkend regime inzake opzeggingstermijnen dat voorzien was om onbeperkt in de tijd van toepassing te zijn op bepaalde werklieden (vnl. werklieden die ressorteren onder het Paritair Comité nr. 124 voor het bouwbedrijf), slechts kunnen worden toegepast tot 31 december 2017, zoals dat het geval is voor de overige betrokken sectoren. 


Het afwijkend regime inzake opzeggingstermijnen zal door alle betrokken sectoren dus kunnen worden toegepast tot eenzelfde datum, nl. 31 december 2017. 


Voor het overige heeft het arrest geen gevolgen."


Wat betekent dat dan concreet?


De wet op het eenheidsstatuut heeft in principe en vanaf 1 januari 2014, eenvormige opzegtermijnen ingevoerd die van toepassing zijn op alle werknemers.


Voor bepaalde arbeiders werden echter uitzonderingen gemaakt. Die uitzondering geldt voor welbepaalde sectoren en is in principe tijdelijk - met name tot 31 december 2017.


In de voorbereidende werken lezen we als verantwoording voor deze tijdelijke afwijking :
"De geleidelijke overgang naar de nieuwe opzeggingstermijnen wordt voor de geviseerde sectoren gerechtvaardigd door het feit dat een onmiddellijke sprong naar de nieuwe opzeggingstermijnen de werkgelegenheid in de sector ernstig zou kunnen ontwrichten". (M.v.T. Wetsontwerp betreffende de invoering van een eenheidsstatuut tussen arbeiders en bedienden inzake de opzeggingstermijnen en de carensdag en begeleidende maatregelen, Parl.St. Kamer 2013-2014, nr. 3144/001, 45).

Op deze manier krijgen de beoogde sectoren de kans hun opzegtermijnen geleidelijk aan in overeenstemming te brengen met de algemene opzegtermijnen. En vanaf 1 januari 2018 gelden ook voor deze arbeiders de gewone opzegtermijnen.


Maar voor een aantal arbeiders was deze afwijking niet tijdelijk maar permanent. Zo bleven de afwijkende opzeggingstermijnen ook na 1 januari 2018 van toepassing op de werkgevers en de werknemers, wanneer:

  • de opzeggingstermijn op 31 december 2013 werd vastgesteld door een KB op basis van de artikelen 61 of 65/3 § 2 van de Arbeidsovereenkomstenwet en die opzegtermijn was op die datum lager dan de tijdelijke afwijkende opzeggingstermijnen (in het kader van de permanente uitzondering);
  • de werknemer geen vaste plaats van tewerkstelling heeft;
  • en de werknemer gewoonlijk werkt op tijdelijke en mobiele werkplaatsen één of meer van de volgende activiteiten uit: graafwerken, grondwerken, funderings- en verstevigingswerken, waterbouwkundige werken, wegenwerken, landbouwwerken, plaatsing van nutsleidingen, bouwwerken, montage en demontage van, inzonderheid, geprefabriceerde elementen, liggers en kolommen, inrichtings- of uitrustingswerken, verbouwingswerken, vernieuwbouw, herstellingswerken, ontmantelingswerken, sloopwerken, instandhoudingswerken, onderhouds-, schilder- en reinigingswerken, saneringswerken, afwerkingswerkzaamheden behorende bij één of meer werken in de voormelde activiteiten.


Het gaat hierbij voornamelijk om werknemers die vallen onder PC 124 (bouwbedrijf) en PC 126 (stoffering & houtbewerking).


Die permanente uitzondering was ingegeven door de bekommernis van de wetgever om de sociale bescherming van deze werknemers te garanderen. De bedoelde werknemers voeren immers in hoofdzaak tijdelijke werkzaamheden uit. Niettegenstaande het tijdelijk karakter van hun tewerkstelling, gebeurt dit veelal met contracten van onbepaalde duur, wat hen toch een zekere rechtszekerheid en bescherming biedt, vooral wat de bestaanszekerheid betreft. Daartegenover staan traditioneel korte opzegtermijnen. Om deze situatie te bestendigen, werden de afwijkende opzegtermijnen dus permanent vastgelegd.
(M.v.T. Wetsontwerp betreffende de invoering van een eenheidsstatuut tussen arbeiders en bedienden inzake de opzeggingstermijnen en de carensdag en begeleidende maatregelen, Parl.St. Kamer 2013-2014, nr. 3144/001, 45).

Maar het Grondwettelijk hof heeft nu beslist dat deze permanente afwijking in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Vanaf 1 januari 2018 zullen dus ook voor deze arbeiders de gewone opzegtermijnen van toepassing zijn.

Bieke Cauwenberghs

Gepubliceerd op 22-09-2015

Berichttitel

Berichtomschrijving
  90