Het mobiliteitsbudget en de vernieuwde mobiliteitsvergoeding: enkele handige vragen en antwoorden

We hebben er langer op moeten wachten dan aanvankelijk gedacht en er is zelfs twijfel over geweest of het er eigenlijk nog wel van zou komen, maar uiteindelijk werd de wet inzake het mobiliteitsbudget goedgekeurd. De nieuwe wet trad in werking op 1 maart 2019.

 

Gepubliceerd op 23-10-2019

Niet alleen het mobiliteitsbudget werd ingevoerd. Ook de sinds 1 januari 2018 bestaande regeling van de mobiliteitsvergoeding werd op een aantal punten verduidelijkt en in overeenstemming gebracht met de regeling van het mobiliteitsbudget. 

Op vragen in verband met dit topic, evenals op andere steeds wederkerende vragen over het arbeidsrecht biedt de Antwoordenpocket een antwoord. Auteurs Saskia Lombaerts, Toon Gabriëls en Mieke Van Looveren van BDO Legal hebben dit jaar de jaarlijkse update verzorgd en nieuwe vraagstukken mee opgenomen.

Hierna vindt u een beknopte weergave van enkele vragen die in het handboek aan bod komen aangaande het mobiliteitsbudget.

Wat is een mobiliteitsbudget?

Bij het mobiliteitsbudget krijgt de werknemer de mogelijkheid om zijn bedrijfswagen in te ruilen voor een bepaald jaarbudget. Dit budget kan de werknemer spenderen in drie pijlers: een milieuvriendelijkere bedrijfswagen, duurzame vervoermiddelen en eventueel een saldo in cash.

Hoe wordt het mobiliteitsbudget berekend?

Het budget wordt bepaald op basis van de totale kostprijs van de bedrijfswagen, de zogenaamde ‘total cost of ownership’. Dit omvat o.a. de leasingkost, CO²-bijdrage, brandstofkosten, niet-aftrekbare btw, en andere niet-inbegrepen kosten zoals winterbanden en verzekeringen. De totale kostprijs van de bedrijfswagen voor de werkgever vormt dus het beschikbare budget voor de werknemer.

Hoe wordt het mobiliteitsbudget behandeld ten aanzien van de sociale zekerheid en voor de belastingen?

De concrete (para)fiscale behandeling van het mobiliteitsbudget zal afhankelijk zijn van de keuzes die de werknemer maakt bij de besteding van zijn budget.

Indien de werknemer opteert voor een andere milieuvriendelijkere wagen, wordt deze (para)fiscaal behandeld zoals een andere bedrijfswagen. Het voordeel alle aard en de CO²-bijdrage zullen in principe wel lager liggen dan deze van de ingeleverde bedrijfswagen.

Het budget dat gespendeerd wordt aan duurzame vervoermiddelen is volledig vrijgesteld van sociale bijdragen en belastingen en betreft dus een volledige optimalisatie.

Het saldo dat tenslotte nog wordt uitbetaald, is onderhevig aan een bijdrage gelijk aan 38,07% (25% + 13,07%). Deze bijdrage is volledig ten laste van de werknemer.  Het betreft dus geen bijkomende kost voor de werkgever.

Bedoelde werknemers

De vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing is van toepassing op de boven bedoelde werkgevers van de privésector en de erkende uitzendbureaus voor de door hen tewerkgestelde werknemers die:

  • onderworpen zijn aan de arbeidswet van 16 maart 1971.
    De bedoelde werknemers zijn dus de werknemers van de privésector, zowel van de profit- als van de non-profitsector (uitgezonderd de publieke ondernemingen uit die laatste sector).
    Vallen buiten het toepassingsgebied: de personen die een leidinggevende functie of een vertrouwenspost hebben (directeur, gerant, ploegbaas, personen die effectief gezag uitoefenen en die verantwoordelijk zijn voor het geheel van of voor een belangrijke onderafdeling van de onderneming), evenals de handelsvertegenwoordigers, huisarbeiders, dienstboden, personen tewerkgesteld in een familieonderneming waar gewoonlijk alleen bloedverwanten, aanverwanten of pleegkinderen onder het uitsluitende gezag van de vader, de moeder of de voogd tewerkgesteld zijn;
  • en die vallen onder categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002.

Behoren niet tot deze categorie 1:

  • de werknemers die in aanmerking komen voor de Sociale Maribel, d.w.z. de werknemers die worden tewerkgesteld bij een werkgever van de non-profitsector (PC’s nr. 319, 319.01, 319.02, 329, 330, 331 en 332), met uitzondering van de paritaire comités nr. 318, 318.01 en 318.02 (diensten voor gezins- en bejaardenhulp);
  • de werknemers die tewerkgesteld worden bij een werkgever die ressorteert onder paritair comité nr. 327, 327.01, 327.02 of 327.03 (beschutte en sociale werkplaatsen), uitgezonderd de sociale werkplaatsen in het Vlaams Gewest die ressorteren onder paritair comité 327.01 (kenteken 373).

Bedrag van de vrijstelling

Oorspronkelijk bedroeg de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing 24,75% van het brutobedrag van de bezoldigingen dat als berekeningsbasis heeft gediend voor de overwerktoeslag. Sinds 1 april 2007 komt het deel van de bedrijfsvoorheffing dat niet aan de Schatkist moet worden gestort overeen met het volgende percentage van het brutobedrag van deze bezoldigingen:

% van het wettelijk overloon van toepassing voor de gepresteerde uren

% van de vrijstelling van bedrijfsvoorheffing

20%

32,19%

50% of 100%

41,25%

Voorbeeld

Een werknemer presteert in de maand juli 2019, 10 overuren waarvoor een overwerktoeslag van 50% wordt betaald. Hij is gehuwd, zijn echtgenote heeft inkomsten en hij heeft 2 kinderen ten laste. Zijn basisuurloon bedraagt 20,00 €.

 

zonder vermindering

met vermindering

Bruto

3.000,00

3.000,00

RSZ-bijdragen zonder werkbonus (- 13,07%)

- 392,10

- 392,10

Belastbaar

2.607,90

2.607,90

Bv

- 624,88

- 624,88

Vermindering gezinslasten

104,00

104,00

Vermindering overuren (57,75% × (10u × 20,00 €))

 

115,50

Bijzondere socialezekerheidsbijdrage

- 9,30

- 9,30

netto

2.077,72

2.193,22

 

zonder vermindering

zonder vrijstelling

met vermindering

met vrijstelling

Ingehouden BV

520,88 €

405,38 €

Vrijstelling van doorstorting van BV (41,25% × (10u × 20,00 €))

 

– 82,50 €

BV te storten aan de Schatkist

520,88 €

322,88 €

Gids loonfiscaliteit 2019

  546