1. Home
  2. Nieuws
  3. Domein
  4. Sociaal recht en HR
  5. Geen ontslagmotivering voor arbeidscontractanten

Geen ontslagmotivering voor arbeidscontractanten

Het principe van de ontslagmotivering is in het Belgisch (arbeids)recht al lange tijd een heet hangijzer. Met de komst van de Wet op en eenheidsstatuut en CAO nr. 109 leken de gemoederen bedaard, althans wat de werknemer betreft die onder het toepassingsgebied van de CAO-wet vallen. Andere werknemers, waaronder arbeidscontractanten, bevinden zich nog steeds in een precaire situatie. Evelien Timbermont en Amaury Mechelynck gaan in op de huidige visie van de hoogste rechtscolleges over de ontslagmotivering van contractuele personeelsleden. Hun bijdrage verscheen op 13 december 2017 in aflevering 372 van het Nieuw juridisch Weekblad (NjW).

Gepubliceerd op 13-12-2017

njw-nr-372-cover-1

Lacune in de Belgische wetgeving

Voorgaande vaststelling klemt des te meer na de arresten van het Hof van Cassatie van 12 oktober 2015, de Raad van State van 27 september 2016 en het Grondwettelijk Hof van 30 juni 2016. Sindsdien bevinden de zogenaamde arbeidscontractanten zich in een juridisch vacuüm, aangezien naar aanleiding van voormelde arresten duidelijk is gebleken dat op hen noch de Wet Motivering Bestuurshandelingen, noch artikel 63 Arbeidsovereenkomstenwet van toepassing is. Naar Belgisch recht kunnen zij zich op geen enkele specifieke bepaling beroepen teneinde de motieven die aan hun ontslag ten grondslag liggen, te kennen.


Schending van het gelijkheidsbeginsel en het recht op een eerlijk proces

Bijgevolg worden zij op ongeoorloofde wijze ongelijk behandeld en kan er (in welbepaalde gevallen) zelfs sprake zijn van een schending van het recht op een eerlijk proces. Een schending van de artikelen 10 en 11 Grondwet lijkt op meest overtuigende wijze te kunnen worden aangetoond wanneer de rechtspositie van contractuele personeelsleden bij de overheid vergeleken wordt met deze van werknemers in de privésector. Daarenboven is de huidige situatie mogelijks in strijd met artikel 6 EVRM, geïnterpreteerd in het licht van de rechtspraak van het, doch slechts in zoverre de overheid a posteriori zou weigeren om de achterliggende motieven van het ontslag van de arbeidscontractant kenbaar te maken.

Uitwegen de lege lata voor de ontslagen arbeidscontractant

In afwachting van het optreden van de wetgever moet de ontslagen werknemer die geconfronteerd wordt met een werkgever die weigert de motieven van het ontslag mee te delen, zich voor de feitenrechter redden met de middelen die op heden voorhanden zijn. Denk bijvoorbeeld aan:

  • de buitencontractuele aansprakelijkheid;
  • het verzoek om een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen;
  • de theorie van het rechtsmisbruik.

 

Opties voor de wetgever

Afsluitend wordt onderzocht over welke mogelijkheden de wetgever beschikt bij het uitvaardigen van een regeling rond de motivering van het ontslag van contractuele personeelsleden bij de overheid, rekening houdend met het feit dat er zich in voorkomend geval mogelijk een nieuwe vorm van discriminatie aandient. Mede gelet op artikel 38, 2° WES en de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof lijkt het alvast niet geheel onverstandig aansluiting te zoeken bij de regeling van CAO nr. 109.

Gelet op de ontstentenis van enige bepaling naar Belgisch recht om het ontslag van een arbeidscontractant (a posteriori­) te motiveren, wordt het gelijkheidsbeginsel evenals het recht op een eerlijk proces geschonden.

  375