Einde voor sociaalzekerheidsrechtelijke antimisbruikbepalingen

Met een arrest van 11 juli 2018 (C-356/15) heeft het Europees Hof van Justitie in het kader van een inbreukprocedure opgestart door de Europese Commissie geoordeeld dat de Belgische sociaalzekerheidsrechtelijke antimisbruikbepalingen strijdig zijn met de Europese Verordeningen 883/2004 en 987/2009 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels. Deze antimisbruikbepalingen stonden de nationale rechters, de RSZ, het RSVZ en de sociale inspecteurs toe om in geval van misbruik van de Europese aanwijsregels een door een buitenlandse administratie afgeleverde A1-verklaring te negeren en desgevallend het Belgische sociale zekerheidsrecht toe te passen.

Gepubliceerd op 23-10-2018

tim-perdieus-small
Tim Perdieus
Senior Associate, Employment & Pensions, Fieldfisher Brussel
building-2762319_1920

Bestreden bepalingen

De door de Europese Commissie tegen België gestarte inbreukprocedure betrof in het bijzonder de artikelen 23 en 24 van de programmawet van 27 december 2012 (de "antimisbruikbepalingen").

Deze antimisbruikbepalingen werden in de Belgische nationale wetgeving opgenomen in het kader van de strijd tegen de detacheringsfraude.

Volgens deze antimisbruikbepalingen worden werknemers of zelfstandigen, wanneer een nationale rechter, de RSZ, het RSVZ of een sociaal inspecteur misbruik vaststelt, onderworpen aan de Belgische socialezekerheidswetgeving indien die wetgeving (zonder dat misbruik) zou moeten worden toegepast overeenkomstig de Europese coördinatieverordeningen, en dit vanaf de eerste dag waarop de voorwaarden voor de toepassing van de Belgische socialezekerheidswetgeving vervuld zijn (evenwel rekening houdend met de toepasselijke verjaringstermijnen).

In dit kader wordt er op gewezen dat de Verordeningen 883/2004 en 987/2009 tot doel hebben dat de betrokkenen onderworpen zijn aan de socialezekerheidsregeling van één enkele lidstaat, teneinde samenloop van toepasselijke nationale wettelijke regelingen en de mogelijke complicaties daarvan te voorkomen. Dit principe komt door de Belgische antimisbruikbepalingen mogelijk op de helling.

De bevoegde autoriteiten van de bevoegde lidstaat verstrekken aan de betrokken werknemer of zelfstandige bovendien een A1-verklaring waaruit moet blijken dat die werknemer of zelfstandige in die lidstaat is verzekerd.

De Belgische antimisbruikbepaling geldt echter zelfs in het geval dat de bevoegde administratie van een andere lidstaat een A1-verklaring heeft afgeleverd aan de betrokken werknemer of zelfstandige, en staat de genoemde Belgische autoriteiten dus toe om dergelijke A1 verklaring in geval van misbruik (volgens de Belgische wetgeving) eenzijdig naast zich neer te leggen.

Daarbij dient, volgens de Belgische wetgeving, niet alleen de in de Europese coördinatieverordeningen voorziene overlegprocedure niet te worden gevolgd, maar wordt zelfs niet vereist dat de betreffende buitenlandse administratie die de A1-verklaring had afgeleverd wordt gecontacteerd.

Volgens de Belgische programmawet is er sprake van misbruik met betrekking tot de aanwijzingsregels wanneer, ten aanzien van een werknemer of een zelfstandige, de bepalingen van de coördinatieverordeningen worden toegepast:

  • op een situatie waarbij de voorwaarden die zijn vastgesteld in de verordeningen en verduidelijkt worden in de Praktische Handleiding of in de Besluiten van de Administratieve Commissie niet nageleefd worden;
  • met als doel zich te onttrekken aan de Belgische socialezekerheidswetgeving die op die situatie had moeten worden toegepast wanneer voornoemde verordenende en administratieve bepalingen correct werden in acht genomen.

Het komt daarbij aan de RSZ, het RSVZ of de sociale inspecteur die het misbruik inroept toe om daarvan het bewijs te leveren.

Standpunt van de Europese Commissie

De Europese Commissie stuurde België reeds op 21 november 2013 een aanmaningsbrief waarin zij aangaf dat zij beschouwde dat de Belgische antimisbruikbepalingen strijdig waren met de Europese coördinatieverordeningen (in het bijzonder met de artikelen 11 en 12 en artikel 76, lid 6, van verordening nr. 883/2004, met artikel 5 van verordening nr. 987/2009 en met besluit A1).

België beriep zich naar aanleiding van deze aanmaning van de Europese Commissie op het adagium „fraus omnia corrumpit” en het verbod van rechtsmisbruik als algemene rechtsbeginselen op grond waarvan de lidstaten nationale bepalingen kunnen vaststellen die van het afgeleide Unierecht afwijken. Daarbij stelde België dat de lidstaten op grond van de verordeningen nr. 883/2004 en nr. 987/2009 unilaterale maatregelen kunnen nemen wanneer de toepassing van die verordeningen volgens de lidstaten aanleiding geeft tot fraude en rechtsmisbruik.

De Europese Commissie maakte vervolgens op 15 juli 2015 een inbreukprocedure aanhangig bij het Europees Hof Van Justitie, waarbij het de strijdigheid van de Belgische antimisbruikbepalingen met bovengenoemde bepalingen aanvoerde.

Standpunt van het Hof

Het Europees Hof van Justitie verwijst in haar arrest naar artikel 5, lid 1, van verordening nr. 987/2009 en naar haar eerdere rechtspraak volgens welke een A1-verklaring, aangezien zij een vermoeden creëert dat de gedetacheerde werknemers regelmatig zijn aangesloten bij de socialezekerheidsregeling van de lidstaat waarin de onderneming is gevestigd die deze werknemers heeft gedetacheerd, in beginsel bindend is voor het bevoegde orgaan van de lidstaat waarin die werknemers zijn gedetacheerd (o.a. HvJ 10 februari 2000, FTS, C‑202/97; HvJ 26 januari 2006, Herbosch Kiere, C‑2/05; HvJ 27 april 2017, A‑Rosa Flussschiff, C‑620/15).

Zou dat niet het geval zijn, dan zou volgens het Hof inbreuk worden gemaakt op het beginsel dat werknemers slechts bij één socialezekerheidsregeling zijn aangesloten, alsook op de voorzienbaarheid van de toepasselijke regeling en bijgevolg op de rechtszekerheid.

Het Hof merkt hierbij op dat geen enkele bepaling van verordeningen 883/2004 of 987/2009 de lidstaten toestaat unilateraal bij wet te bepalen dat de aanwijsregels niet van toepassing zijn in geval van fraude of misbruik, zodat het door artikel 76, lid 6, van verordening nr. 883/2004 en artikel 5 van verordening nr. 987/2009 geconcretiseerde beginsel van loyale samenwerking zelfs in dergelijke gevallen van toepassing is.

Wanneer een lidstaat het niet eens is met een door het bevoegde orgaan van een andere lidstaat afgeleverde A1-verklaring dient zij zich dus tot het bevoegde orgaan dat de A1‑verklaring heeft afgegeven te wenden en dit orgaan concrete gegevens te verstrekken die staven dat deze verklaringen door fraude zijn verkregen.

In dat geval is het orgaan dat de A1‑verklaring heeft afgegeven op grond van het beginsel van loyale samenwerking gehouden om in het licht van deze gegevens opnieuw te onderzoeken of de A1-verklaring terecht werd afgegeven en om deze – indien dit niet het geval zou zijn- terug in te trekken.

Indien het orgaan dat de A1‑verklaring heeft afgegeven niet binnen een redelijke termijn overgaat tot een dergelijke heroverweging kunnen, volgens het Hof, de voornoemde gegevens worden aangevoerd in het kader van een gerechtelijke procedure, waarbij de rechter van de lidstaat waar de werknemers zijn gedetacheerd kan besluiten de betrokken A1-verklaring niet in aanmerking te nemen.

Het Hof herneemt hiermee uitdrukkelijk haar recente rechtspraak in het arrest Altun (HvJ 6 februari 2018, Altun e.a., C‑359/164; zie ook Expat News Maart 2018, nr. 3, 13-14).

Het Hof merkt echter op dat de bestreden Belgische antimisbruikbepalingen niet voldoen aan deze voorwaarden.

De antimisbruikbepalingen voorzien namelijk in geen enkel opzicht in de verplichting om de dialoog- en bemiddelingsprocedure van Verordeningen 883/2004 en 987/2009 op te starten. Bovendien komt het volgens de antimisbruikbepalingen niet alleen toe aan de nationale rechter om, in het kader van een gerechtelijke procedure, fraude vast te stellen en een A1–verklaring om die reden buiten beschouwing te laten, maar ook aan de RSZ, het RSVZ en de Belgische sociaal inspecteurs, welke dus buiten elke gerechtelijke procedure om kunnen beslissen om de betrokkenen te onderwerpen aan de Belgische socialezekerheidswetgeving.

Uit het voorgaande blijkt dat slechts binnen de grenzen die het Hof eerder bepaalde in het arrest Altun een A1-verklaring eenzijdig buiten beschouwing kan worden gelaten.

Het Hof oordeelt in deze zaak dan ook dat de Belgische antimisbruikbepalingen strijdig zijn met de door de Europese commissie ingeroepen bepalingen van de Europese Verordeningen 883/2004 en 987/2009.

Uit dit arrest blijkt duidelijk dat nationale wetgeving die het mogelijk maakt om zonder voorafgaande naleving van de Europese betwistingsprocedure, buiten het kader van een gerechtelijke procedure, de bindende kracht van een A1-verklaring naast zich neer te leggen en een betrokken werknemer of zelfstandige aan de eigen sociale zekerheid te onderwerpen strijdig is met de Europese Verordeningen 883/2004 en 987/2009.

De Belgische wetgever zal deze bestreden antimisbruikbepalingen bijgevolg dienen te schrappen, of minstens dienen aan te passen binnen de grenzen die door dit arrest (zoals eerder uiteengezet in het arrest Altun) worden bepaald.

Het zal in ieder geval niet meer mogelijk zijn voor de RSZ, het RSVZ en de sociale inspecteurs om, buiten het kader van een gerechtelijke procedure en zonder het voorafgaandelijk naleven van de Europese betwistingsprocedure, eenzijdig een A1-verklaring naast zich neer te leggen en de betrokken werknemers of zelfstandigen aan de Belgische sociale zekerheid te onderwerpen.

Over de auteur

tim-perdieus

Tim Perdieus is Senior associate in het departement Employment & Pensions bij Fieldfisher Brussel

Hij adviseert Belgische en internationale bedrijven en personen over alle aspecten van het individueel en collectief arbeidsrecht, en over nationale en internationale sociale zekerheid.

> Uitgebreide biografie

  311