Deeltijdse arbeid na loopbaanvermindering: recht op beschermingsvergoeding?

Werknemers kunnen in bepaalde omstandigheden beschermd zijn tegen ontslag. Indien de bescherming niet gerespecteerd wordt, kan de werknemer aanspraak maken op een specifieke schadevergoeding.

Saskia Lombaerts van BDO bespreekt in het boek ‘Loonfiscaliteit’ onder andere de beschermingsvergoeding deeltijdse arbeid na loopbaanvermindering meer in detail.

Gepubliceerd op 13-10-2017

euro-1517315

De ontslagbescherming kan op verschillende wijzen georganiseerd zijn:

  • een absoluut verbod tegen ontslag (prestaties van algemeen belang in vredestijd);
  • een verbod tot ontslag tenzij wegens dringende redenen;
  • een verbod tot ontslag wegens welbepaalde redenen (zoals o.m. militaire dienst en zwangerschap);
  • een beperking van het ontslag tot welbepaalde redenen (economische of technische redenen voor leden en kandidaten ondernemingsraad en comité voor preventie en bescherming op het werk).

Beschermingsvergoeding deeltijdse arbeid na loopbaanvermindering

Een werknemer die zijn loopbaan niet meer gedeeltelijk kan onderbreken (in de oude regeling) en overschakelt naar een deeltijdse job, is in een bepaalde periode beschermd tegen ontslag. Indien hij onrechtmatig ontslagen wordt, kan hij aanspraak maken op een specifieke schadevergoeding.

Deze ontslagbescherming bestaat enkel bij loopbaanvermindering in het kader van de oude regeling van de Herstelwet. Volgens de actuele stand van zaken hebben de werknemers die hun recht op tijdskrediet, in het kader van de CAO nr. 77bis of CAO nr. 103, hebben uitgeput niet de mogelijkheid om een recht op deeltijdse arbeid in te roepen en zo een deeltijdse activiteit verder te zetten.

Wanneer de werknemer gebruik maakt van zijn recht om over te schakelen op een deeltijdse arbeidsovereenkomst, mag de werkgever vanaf het begin van een periode van drie maanden voor de overgang naar een deeltijdse arbeidsovereenkomst tot drie maanden na de overgang naar een deeltijdse arbeidsovereenkomst, geen handeling verrichten die ertoe strekt eenzijdig een einde te maken aan de dienstbetrekking.

De werknemer die de wettelijke mogelijkheden om zijn arbeidsprestaties te verminderen heeft uitgeput, heeft aansluitend op de periode van vermindering van zijn arbeidsprestaties het recht om over te schakelen naar een deeltijdse arbeidsovereenkomst, op voorwaarde dat hij in dezelfde arbeidsregeling werkt als diegene die toepasselijk was tijdens de periode waarin hij zijn loopbaan deeltijds onderbrak.

De werknemer kan in de beschermde periode wel ontslagen worden om een dringende reden of om een voldoende reden. Als een voldoende reden geldt een door de rechter als zodanig bevonden reden waarvan de aard en de oorsprong vreemd zijn aan de overgang naar een deeltijdse arbeidsovereenkomst.

De werkgever die, ondanks het ontslagverbod, de arbeidsovereenkomst beëindigt zonder een dringende of een voldoende reden, is gehouden om aan de werknemer een forfaitaire vergoeding te betalen die gelijk is aan het loon van zes maanden, onverminderd de vergoedingen die bij een onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst aan de werknemer moeten worden betaald.

Fiscaliteit en RSZ

Er zijn geen RSZ-bijdragen verschuldigd op deze beschermingsvergoeding.

De bedrijfsvoorheffing wordt berekend volgens de regels die van toepassing zijn op achterstallen.

Voor de fiscus wordt deze vergoeding toegekend bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Daarom wordt ze behandeld als een opzeggingsvergoeding en aldus belast tegen de gemiddelde aanslagvoet. De beschermingsvergoeding wordt vermeld op de fiche 281.10 onder vak 11. Voor de onderneming is deze vergoeding aftrekbaar als bedrijfslast.

Over de auteur

saskia-lombaerts-1

Saskia Lombaerts behaalde in 1999 haar Master diploma Rechten aan de Universiteit van Antwerpen.

Zij is senior advisor bij BDO Legal met meer dan 15 jaar ervaring in juridische praktijken zoals arbeids-en sociale zekerheidsrecht. Saskia Lombaerts heeft talrijke publicaties op haar naam staan en is veel gevraagde spreker voor opleidingen en seminaries.

  549