‘De lijsten voor de sociale verkiezingen 2016 zijn ongrondwettig’

De vakbonden maken zich stilaan op voor de sociale verkiezingen van 2016. Maar de lijsten die ze daarbij voorleggen, zullen volgens arbeidsrechtadvocaat Stefan Nerinckx wellicht de grondwettigheidstoets niet doorstaan. ‘Aparte kiescolleges en verschillende lijsten die enkel gesteund zijn op het onderscheid arbeider-bediende kunnen niet op basis van objectieve criteria redelijk worden verantwoord.’ Dat zei hij in een interview met De Juristenkrant (nr. 310 van 10 juni 2015).

Ruth Boone

Stefan-NerinckxToen het Grondwettelijk Hof het arbeidsrechtelijk onderscheid tussen arbeiders en bedienden in 2011 ongrondwettig verklaarde, had dat in eerste instantie alleen betrekking op de carensdag en de opzegtermijnen. ‘Maar het Grondwettelijk Hof heeft toen gezegd dat het onderscheid tussen manuele en intellectuele arbeid en àlles wat daarop gesteund is, ongrondwettig is. Dat betekent dat bijvoorbeeld ook het moment van uitbetaling van loon en de vakantiewetgeving nog zullen moeten worden aangepast’, stelt Stefan Nerinckx, advocaat bij advocatenkantoor FieldFisher en docent arbeidsrecht bij Odisee. 'Er is bij de regeringspartijen een consensus om dit alles als één pakket af te handelen, maar het lijkt voorlopig geen prioriteit'.


 

Hij wijst er op dat ook in de paritaire comités het onderscheid nog altijd gehanteerd wordt, maar daar zou het mits een aantal aanpassingen de grondwettoets meestal wel doorstaan, omdat het onderscheid daar ook vaak op een bepaalde arbeidsactiviteit of -functies is gesteund: ‘Ik denk dan bijvoorbeeld aan werkloosheid omwille van slecht weer. Dat geldt alleen voor wie buiten werkt, en niet voor iemand die binnen op het kantoor werkt.’


Maar de onderscheiden lijsten voor arbeiders en bedienden voor de sociale verkiezingen zijn louter gebaseerd op het onderscheid tussen intellectuele en manuele arbeid, en dat kan niet. ‘In de teksten die nu voorliggen, is niets opgenomen om het onderscheid tussen arbeiders-bedienden daar weg te nemen. Men zal dus waarschijnlijk het onderscheid nog behouden voor de verkiezingen van 2016. We hebben er nu nog geen zicht op hoe men dat grondwettigheidsprobleem gaat omzeilen.’


‘Maar mijns inziens zou een niet-verkozene een vordering kunnen instellen voor een rechtbank, die dan een prejudiciële vraag zal moeten stellen aan het Grondwettelijk Hof. Vandaag kunnen namelijk enkel arbeiders voor arbeiders stemmen en bedienden voor bedienden, en zijn er aparte kiescolleges voor arbeiders en bedienden’, stelt Nerinckx.

KNELPUNTEN EENHEIDSSTATUUT
Meer in het algemeen wijst Stefan Nerinckx erop dat de wet op het eenheidsstatuut voor veel vragen zorgt bij werkgevers. ‘De wetgeving blijft zeer complex. Grotere bedrijven zijn daar beter tegen gewapend dan kleine.’
‘Vooral de afschaffing van de proefperiode is een struikelblok. We hebben daarover gesprekken gevoerd met het kabinet, maar het ziet ernaar uit dat dit pas tegen het einde van de legislatuur zal worden geëvalueerd. Daarom zien we dat werk-gevers nu naar alternatieven grijpen, zoals het contract van bepaalde duur, IBO, vooral voor arbeiders en lagere bedienden met voornamelijk uitvoerende taken. Dat biedt een aantal mogelijkheden, maar de wetgeving is ook hier ingewikkeld en ongekend.’


Een ander knelpunt is de regeling voor de opzegclausules. ‘Sinds 1 januari 2014 gelden er nieuwe opzegtermijnen. Het blijkt niet makkelijk om de berekening te maken voor mensen die nu ontslagen worden, maar ook al voor 1 januari 2014 rechten hadden opgebouwd. Sinds januari 2014 geldt voor werknemers die maximum 32.254 euro bruto verdienen een opzegtermijn van 3 maanden per begonnen schijf van 5 jaar, of de conventionele overeengekomen opzegtermijn. Voor werknemers die meer dan 32.254 euro bruto per jaar verdienen, houdt de wetgever in zijn tekst geen rekening met een conventioneel overeengekomen opzegtermijn. Hier moet met andere woorden, in principe, één maand per jaar anciënniteit toegepast te worden. Er is nog geen rechtspraak over. De FOD zegt dan wel dat er geen probleem is, maar de wet laat aan duidelijkheid niets te wensen over.’

Ook voor het kennelijk onredelijk ontslag is er nog onduidelijkheid, stelt Nerinckx vast: ‘De wetgever heeft bepaald dat bij een kennelijk onredelijk ontslag een schadevergoeding moet worden betaald gelijk aan 3 tot 17 weken loon. Maar wat is het criterium? Wanneer is het 3 weken, en wanneer 17? Het zal aan de rechter zijn om dat te beslissen, wat dan weer aanleiding geeft tot rechtsonzekerheid, wegens te verwachten disparate uitspraken in de verschillende rechtbanken.’


‘Bij contracten van bepaalde duur kan kennelijk onredelijk ontslag nooit opgeworpen worden, en mag de rechter alleen een marginale toetsing doen over de motivering van het ontslag. De rechter mag sowieso de opportuniteit van het ontslag niet beoordelen. Maar het Hof van Cassatie heeft in het kader van willekeurig ontslag beslist dat de rechter wel naar de achterliggende reden of motieven van een ontslag mag kijken. Ook daar moeten werkgevers dus rekening mee houden.’


Tot slot wijst Nerinckx nog op de motiveringsplicht. ‘Dat is een positieve zaak, het heeft ervoor gezorgd dat de HR-afdelingen in ondernemingen zich verder professionaliseren. De evaluaties zijn strikter georganiseerd, er wordt ook meer aandacht besteed aan het aanleggen van een dossier, om een ontslag beter te kunnen motiveren. Let wel, de motivering is nog altijd geen verplichting: die moet alleen gegeven worden als de werknemer erom vraagt. Als de werkgever antwoordt, en de werknemer vindt de motivering onvoldoende, dan moet hij in de rechtbank zelf het bewijs leveren dat zijn ontslag kennelijk onredelijk was. Als de werkgever niet antwoordt, dan zal het de werkgever zijn die voor de rechtbank moet aantonen dat het ontslag niet kennelijk onredelijk was. Daarom adviseren wij werkgevers om sowieso altijd een motivering te geven als erom gevraagd wordt.’

Dit artikel verscheen in De Juristenkrant (nr. 311 van 10 juni 2015).

Meer informatie over de sociale verkiezingen vindt u op socialeverkiezingen.be of via SocialEye.

Gepubliceerd op 11-06-2015

Berichttitel

Berichtomschrijving
  156