Aanvullende pensioenen - een basishandleiding

Isabelle De SomvieleAn Van DammeVandaag genieten 60 tot 70% van de Belgische werknemers van een aanvullend pensioenplan via hun werkgever of via de sector. Als we kijken naar de aanvullende pensioenplannen of groepsverzekeringen op ondernemingsniveau dan zien we dat dit in de praktijk een erg populair onderdeel van het verloningspakket blijft, dat zowel voor de werkgever als de werknemer voordelen biedt.

Onze wetgever voorziet een specifiek wettelijk kader voor aanvullende pensioenen dat in de afgelopen jaren meermaals is gewijzigd. Zo werden eind 2015 nog aan een aantal ingrijpende wijzigingen doorgevoerd onder meer over het moment waarop het aanvullend pensioen moet worden uitbetaald en de minimale rendementsgarantie die de werkgever moet garanderen op bepaalde bijdragen gestort in een pensioenplan of groepsverzekering.

Isabelle De Somviele en An Van Damme,  beiden advocaat bij het kantoor Claeys & Engels en gespecialiseerd in de materie van aanvullende pensioenen, schreven hierover het boek “Aanvullende Pensioenen - Een basishandleiding” dat de basisprincipes en aandachtspunten op een rijtje zet.

Het wettelijk kader van aanvullende pensioenen werd in de afgelopen jaren meermaals gewijzigd. De laatste belangrijke wijziging dateert van eind 2015. Wat zijn hiervan de concrete gevolgen?
 

De wet van 18 december 2015 heeft inderdaad een aantal ingrijpende wijzigingen doorgevoerd die gevolgen hebben voor zo goed als alle werknemers die aangesloten zijn bij een aanvullend pensioenplan (de algemene term voor een groepsverzekering of een pensioenplan beheerd door een pensioenfonds).


De wijziging die wellicht het meeste invloed op hen heeft, is het nieuw ingevoerde principe dat het aanvullend pensioen voortaan in de regel moet uitbetaald worden op het moment van de effectieve ingang van het wettelijk pensioen. Tot eind 2015 was het nog mogelijk om het aanvullend pensioen vervroegd op te nemen, vanaf de leeftijd van 60 jaar als dat zo was voorzien in het pensioenreglement. Sinds 2016 is dit niet meer mogelijk tenzij voor een beperkte groep van werknemers die onder één van de voorziene overgangsmaatregelen vallen (omdat zij reeds dicht bij hun pensioen stonden).

Daarnaast zijn ook de regels gewijzigd over het minimale rendement dat op bepaalde pensioenbijdragen moet gegarandeerd worden door de werkgever. Dit kreeg veel aandacht in de media. Voordien gold er een vaste rentevoet van 3,25% op werkgeversbijdragen en 3,75% op werknemersbijdragen. Sinds 1 januari 2016 zijn we echter overgegaan naar een (jaarlijks te bepalen) flexibele rentevoet, die gelinkt is aan de reële rendementen op de financiële markten. Gezien deze laatsten in de nasleep van de financiële crisis nog steeds erg laag zijn, is deze voor 2016 dan ook gelijk aan de minimum rentevoet van 1,75%.


Een andere belangrijke wijziging heeft te maken met de overlijdensdekking die werknemers die hun werkgever verlaten, maar hun verworven pensioenrechten achterlaten bij deze ex-werkgever, genieten. Tot 2016 moest de werkgever hen geen overlijdensdekking aanbieden en was het niet uitgesloten dat hun opgebouwde “pensioenspaarpotje” verloren ging indien zij overleden voor hun pensionering. Vanaf 2016 moeten zij verplicht kunnen kiezen voor een overlijdensdekking, waardoor hun pensioenspaarpotje wordt uitbetaald aan hun partner, hun kinderen of een andere begunstigde als zij voor de pensionering zouden overlijden. 

Deze wijzigingen brengen dus grondige wijzigingen aan in de wettelijke regels over aanvullende pensioenen?

Dat is inderdaad het geval. Niet alleen de wijzigingen die ingevoerd zijn eind 2015, maar ook een aantal andere wijzigingen die in de afgelopen jaren zijn ingevoerd hebben de regels - soms grondig - veranderd.


In onze praktijk ervaren wij dan ook dat sommige werkgevers en werknemers door de bomen het bos niet meer zien. Daarom hebben wij een beknopte handleiding geschreven waarin we de basisprincipes eens opnieuw op een rijtje zetten. Hierbij gaan we uit van wat we de ‘levenscyclus’ van een aanvullend pensioen noemen: van de invoering van het aanvullend pensioenplan tot de uiteindelijke uitbetaling van het aanvullend pensioen.

Op die manier geven we onder meer een antwoord op volgende vragen: Waarom is het voor een werkgever interessant om een pensioenplan in te voeren voor zijn werknemers? Waarom is het als werknemer interessant om te genieten van een pensioenplan? Welke procedures moeten gevolgd worden bij de invoering of de wijziging van het pensioenplan? Kies ik als werkgever best voor een groepsverzekering of voor een pensioenplan dat beheerd wordt door een pensioenfonds? Welke types van pensioenplannen bestaan er? Wat gebeurt er met het aanvullend pensioenplan bij een overname of een fusie? Moet een pensioenplan van toepassing zijn op alle werknemers of mag het beperkt worden tot een welbepaalde categorie? Welke informatie moeten werknemers ontvangen over de pensioenrechten die ze al hebben opgebouwd? Wanneer kan of moet het aanvullend pensioen worden uitbetaald? Kan dit zowel onder de vorm van een kapitaal als een rente uitbetaald worden? Hoe wordt het aanvullend pensioenkapitaal of de rente fiscaal behandeld? ...


Hierbij zetten we de belangrijkste principes op een rijtje en besteden we tegelijkertijd ook aandacht aan de problemen of aandachtpunten die we zien vanuit onze praktijk. Ook de nieuwere ‘trends” zoals het oprichten door multinationale groepen van pan-Europese pensioenfondsen in België en de recente ‘geboorte’ van een aantal pensioenfondsen die opgezet zijn voor ondernemingen die niet tot eenzelfde groep behoren, komen aan bod. 

SPS16004Meer informatie?


Het boek ‘Aanvullende pensioenen – een basishandleiding’ van Isabelle De Somviele en An Van Damme verschijnt in de boekenreeks Sociale Praktijkstudies.


U vindt alle informatie op onze webshop.

Ook interessant


Op 7 november 2016 geeft M&D Seminars een opleiding over aanvullende pensioenen voor werknemers en zelfstandigen.

Voor meer informatie en inschrijvingen, zie hier.


 

Gepubliceerd op 21-10-2016

Berichttitel

Berichtomschrijving
  245