Aanvullend pensioen is noodzaak voor behoud levensstandaard na pensionering

De Belgische werknemer krijgt een aanvullend pensioen van gemiddeld 188 euro per maand van de werkgever. Dat levert bij pensioenleeftijd een kapitaal op van zo’n 130.000 euro of 326 euro extra maandelijks pensioen.

Er zijn echter grote verschillen tussen de statuten (arbeider, bediende, kaderlid), tussen sectoren en zelfs tussen bedrijven onderling. Dat blijkt uit de Aon Pension Survey, waarin Aon de aanvullende pensioenplannen (groepsverzekeringen en pensioenfondsen) van 300.000 Belgische werknemers bij 210 bedrijven in 13 sectoren onderzoekt.

Gepubliceerd op 03-04-2018

Maaike Hemeleers
Wolters Kluwer
money-2724241_1920

326 euro extra pensioen per maand

Per jaar dragen werkgevers 2260 euro bij aan het aanvullend pensioen van een werknemer. Werknemers dragen daarnaast zelf gemiddeld 381 euro per jaar bij.

Dat levert aan het einde van de carrière een mooi appeltje voor de dorst op: gemiddeld 2,5 keer het laatste jaarsalaris (in totaal € 130.000) of 326 euro extra pensioen per maand (berekend op basis van een gemiddeld brutoloon van 4.072 euro voor een bediende op 64 jaar). De tweede pensioenpijler levert dus een cruciale bijdrage aan de levensstandaard van gepensioneerden.

  • Een bediende met een gemiddeld loon zou in 2017 een wettelijk pensioen ontvangen van 1.656 euro netto. Dit is 71% van het laatste nettoloon.
  • Met een aanvullend pensioen komt hier netto 326 euro per maand bij. Op die manier raakt de werknemer aan een vervangingsgraad van 84% van het laatste nettoloon.

Daling van de levensstandaard na pensionering

Een aanvullend pensioen via de werkgever – in de volksmond de “groepsverzekering” is al lang geen luxe meer. Het wordt stilaan een must om een leefbaar inkomen te behouden na pensioenleeftijd. Bovendien is het één van de fiscaal interessantste manieren om aan vermogensopbouw te doen.

Het wettelijk pensioen bedraagt voor een bediende gemiddeld slechts 71% van het laatste nettoloon. Voor een kaderlid duikt dit nog lager tot 52%. Dit is de helft van het inkomen op de vooravond van de pensionering.

Tabel: Vervangingsgraad van het pensioen, in % van het laatste maandloon

statuut

Bruto/netto

wettelijk (%)

aanvullend (%)

totaal (%)

arbeider

bruto

netto

60

80

7

8

67

88

bediende

bruto

netto

54

71

12

13

66

84

kaderlid

bruto

netto

36

52

14

19

50

71

Het besef dat een tweede pijler een cruciaal onderdeel is van het loonpakket is volgens Aon echter nog niet doorgedrongen bij de Belgische werknemer. Slechts 9% van de loontrekkenden begrijpt hoe hun loonpakket juist is samengesteld, en wat de voordelen van een aanvullend pensioen zijn. Werkgevers die pensioenplannen bieden, moeten het belang ervan dan ook beter uitleggen aan hun werknemers.

Grote verschillen tussen sectoren en statuten

Naast de verschillen in de opbrengst van de pensioenplannen voor kaders, bedienden en arbeiders bestaan er nog grote verschillen in pensioenplannen. Om te beginnen is er het verschil tussen werknemers mét een aanvullend pensioenplan en die zonder.

Er is wel een stijging van het aantal werknemers met een pensioenplan: vier jaar geleden waren dat nog 70 procent van de werknemers, vandaag is dat al 75%.

Maar ook tussen sectoren bestaan heel opvallende verschillen. De bank- en financiënsector biedt samen met verzekeringen de royaalste pensioenplannen aan. Metaal bengelt helemaal achteraan, samen met de sector distributie & logistiek. De onderstaande grafiek geeft de mediaansituatie weer per sector voor het bruto pensioenkapitaal van bedienden.

grafiek-aanvullend-pensioen

Kaderleden en bedienden vormen duidelijk de categorieën waarvoor het meest pensioenvoordelen voorzien worden. Voor arbeiders wordt minder frequent een aanvullend plan voorzien en de impact van het toekomstige eenheidsstatuut is nog onduidelijk in dit stadium.

Het eenheidsstatuut: amper vooruitgang

De WAP (Wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen) legt de verplichting op om een einde te maken aan het verschil in behandeling tussen arbeiders en bedienden op het vlak van de aanvullende pensioenen. Ten laatste vanaf 1 januari 2025 moet dit eenheidsstatuut ingevoerd zijn.

Tot nu toe hebben de sectorale sociale partners echter nog geen enkel harmonisatietraject afgerond. Individuele werkgevers hanteren het ‘watervalprincipe’ en wachten op sectorinitiatief om zelf actie te nemen. Deze afwachtende houding betekent dat ondernemingen slechts 2 jaar de tijd zullen hebben om te harmoniseren.

De Aon-studie waarschuwt bovendien dat de overheid door de 2de pijler te harmoniseren mogelijk een nieuw onevenwicht creëert.

Door het wettelijk pensioenplafond is de vervangingsgraad van het arbeiderspensioen groter dan bij bedienden en kaders. Het aanvullend pensioen vult dit wettelijk stelsel aan en zorgt voor een globaal evenwicht, waarbij elke groep ongeveer aan een gelijkaardige vervangingsgraad komt.

De overheid kijkt bij de harmonisering enkel naar de 2de pijler en niet naar het effect van de 1ste en 2de pijler samen.

Bron: AON Pension Survey 2018

  603