Toegang tot de Europese rechter in milieuzaken

Hendrik Schoukens geeft een systematische stand van zaken van de toestand inzake rechtsbescherming in milieuzaken op Europees vlak. Deze tweedelige bijdrage verscheen op 31 januari en 14 februari 2018 in het Nieuw juridisch Weekblad (NjW).

Gepubliceerd op 14-02-2018

njw-376

Hendrik Schoukens


De strijd voor rechtstreekse toegang tot de Europese rechter in milieuzaken heeft de voorbije jaren Kafkaiaanse proporties aangenomen. Terwijl de Europese Unie zich voordoet als de progressieve milieuspeler op het internationale toneel, blijkt het manifest niet voldoen aan haar internationale verplichtingen inzake rechtsbescherming in milieuzaken op EU-vlak.

Deze verbintenissen zitten vervat in het welbekende Verdrag van Aarhus, in 2005 geratificeerd door de EU. Tot op heden is er immers géén enkele milieuvereniging of particulier in geslaagd om op ontvankelijke wijze de wettigheid van een EU-besluit met een impact op het leefmilieu direct aan te klagen bij de Europese rechters. De EU-instellingen blijven echter van oordeel dat de herzieningsprocedure die zit vervat in de zogenaamde Aarhus-Verordening meer dan voldoende is in dit verband.

Ironisch genoeg vallen de meeste milieubesluiten die de EU treft, bijvoorbeeld inzake visserij of pesticiden, buiten de scope van deze procedure. Ook de omweg van de indirecte wettigheidstoetsing via de nationale rechter kan bezwaarlijk worden afgeschilderd als effectieve rechtsbescherming.

Nu ook de Europese rechters niet bereid zijn om de Aarhus-ratio op hun eigen jurisdictie toe te passen, ziet het ernaar uit dat de impasse nog wel even zal verder duren. Zelfs de recente vingerwijzing van het toezichtscomité bij het Verdrag van Aarhus lijkt weinig zoden aan de dijk te kunnen brengen. Nochtans bestaan er alternatieven genoeg om de Rubicon op elegante wijze over te steken.

Ooit zal de Kafka-parabel, waarbinnen de milieuverenigingen zich nu al meerdere decennia bevinden, een einde moeten krijgen.

  516