Rechtsplegingsvergoeding in overheidsgeschillen

Kristof CaluwaertClaire FornovilleToon MoonenOp 3 maart 2016 vernietigde het Grondwettelijk Hof een onderdeel van artikel 1022 Ger.W. dat werd ingevoegd in april 2014 inzake de verhaalbaarheid van de rechtsplegingsvergoeding in geschillen met een overheid. Met dit arrest bevestigt het Grondwettelijk Hof zijn nieuwe rechtspraak inzake (de verhaalbaarheid van) de rechtsplegingsvergoeding, een weg die het Hof reeds in 2015 was ingeslagen. Kristof Caluwaert, Claire Fornoville en Toon Moonen grijpen dit vernietigingsarrest aan om de wijziging van de rechtspraak van het Hof in 2015, en de drie prejudiciële arresten die daarvoor het startschot hebben gegeven, te kaderen en te analyseren. Hun bijdrage verscheen in afl. 343 van het Nieuw Juridisch Weekblad (NjW) van 1 juni 2016. Hierna vindt u een samenvatting van deze bijdrage.

In drie arresten van 21 mei 2015 is het Grondwettelijk Hof teruggekomen op zijn eerdere rechtspraak over de verhaalbaarheid van de rechtsplegingsvergoeding in geschillen met een overheid. Overheden die optreden in het algemeen belang en betrokken zijn in een geschil voor de hoven en rechtbanken kunnen voortaan, in de regel, worden veroordeeld tot een rechtsplegingsvergoeding en kunnen er zelf ook aanspraak op maken. Enkel voor strafzaken die door het openbaar ministerie aanhangig worden gemaakt en de analoge gevallen waarin de arbeidsauditeur optreedt, geldt nog een uitzondering. Met deze arresten keert het Grondwettelijk Hof op een opmerkelijke manier op zijn stappen terug. Situaties waarover het Hof vroeger oordeelde dat ze ongrondwettig waren, zijn dat plots niet meer.

Wijzigingen in de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof
 
Dat het Grondwettelijk Hof integraal terugkomt op zijn rechtspraak is uitzonderlijk. Het Hof zal bij de beoordeling van verwante problemen (of van hetzelfde probleem in een latere fase) in de praktijk zelden een eerder ingeslagen weg verlaten. Dat neemt niet weg dat zelfs rechters in de hoogste rechtscolleges, zoals iedereen, zich kunnen bedenken, daarbij rekening houdend met het rechtszekerheidsbeginsel.

De onafhankelijke verdediging van het algemeen belang
 
Waar het beginsel van de onafhankelijke verdediging van het algemeen belang er volgens het Grondwettelijk Hof vroeger aan in de weg stond dat een rechtsplegingsvergoeding werd gevorderd van een overheid die optreedt in het algemeen belang, blijkt dit sinds de besproken arresten niet langer een onoverkomelijke hinderpaal te zijn. Om daartoe te komen heeft het Hof een andere invulling gegeven aan het grondwettelijk onafhankelijkheidsbeginsel. Volgens het Hof vindt deze nieuwe opvatting van het onafhankelijkheidsbeginsel steun in een gewijzigde juridische context, namelijk het standpunt dat de wetgever heeft ingenomen bij de invoering van de rechtsplegingsvergoeding in de procedure voor de Raad van State. Bij nader inzien blijkt het standpunt van de wetgever, waarnaar in de besproken arresten wordt verwezen, echter niet zo eenduidig is als het Grondwettelijk Hof laat uitschijnen.

De gevolgen van de nieuwe rechtspraak
 
Om te weten wat de precieze gevolgen zijn van de gewijzigde rechtspraak moeten drie verschillende situaties worden onderscheiden, met name:

  • hangende zaken voor de hoven en rechtbanken waarover in eerste aanleg nog uitspraak moet worden gedaan;
  • zaken waar in eerste aanleg al uitspraak is gedaan maar waartegen een rechtsmiddel is aangewend of de termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel nog niet is verstreken; en
  • vonnissen en arresten die in kracht van gewijsde zijn getreden.

 
Vooral de zaken waar reeds definitief uitspraak is gedaan, en waarin eerder werd geoordeeld dat het toekennen van een rechtsplegingsvergoeding ten laste van een overheid ongrondwettig moest worden geacht, zijn interessant. Zij lijken door de mazen van het net te vallen, aangezien hiertegen geen rechtsmiddelen meer open staan, hoewel sommige rechtszoekenden uiteraard meer gebaat zouden zijn geweest bij het nieuwe standpunt van het Grondwettelijk Hof.
 
De laatste wetswijziging van artikel 1022 Ger.W. van 2014 en gebaseerd was op de oude rechtspraak van het Hof, werd vernietigd bij het arrest van 3 maart 2016. Het is evenwel afwachten of de wetgever opnieuw zal optreden. Ook de eerdere wijziging van artikel 1022 Ger.W. van 2010, ook al is deze nog niet in werking getreden, doorstaat immers niet langer volledig de toets van het Grondwettelijk Hof.



Kristof Caluwaert is wetenschappelijk medewerker aan de KU Leuven. Claire Fornoville is assistent aan de Université Saint-Louis en Toon Moonen is gastmedewerker bij het Centrum voor overheid en recht aan de Universiteit Hasselt. Ze zijn alledrie advocaat.

Bron: Kristof CALUWAERT, Claire FORNOVILLE en Toon MOONEN, “Rechtsplegingsvergoeding in geschillen met de overheid. De omslag in de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof”, NjW 2016, afl. 343, 410-427.

Ontdek ook “De rechtsplegingsvergoeding in al zijn facetten”, een nieuw boek van Bart Van den Bergh en Sven Sobrie. Klik hier voor meer info over dit boek en bestel meteen online.

De volledige tekst vindt u in het Nieuw Juridisch Weekblad (NjW). Klik hier voor meer informatie over het Nieuw Juridisch Weekblad (NjW), alsook voor de abonnementsvoorwaarden.

NjW kan ook gelezen worden op smartphone en tablet. Wie al een abonnement heeft op de papieren versie geniet van een voordeeltarief. Klik hier voor meer informatie over NjW mobiel.

>>> Als u nu een jaarabonnement neemt op NjW ontvangt u gratis het volledige artikel van Kristof Caluwaert, Claire Fornoville en Toon Moonen in pdf-formaat. Zend hiervoor een e-mail met vermelding van alle vereiste contactgegevens voor de levering en facturatie van uw abonnement naar: njw@wolterskluwer.be.

De website van NjW: www.e-njw.be

Op Jura vindt u meer rechtsleer over rechtsplegingsvergoedingen in geschillen met de overheid.


Gepubliceerd op 01-06-2016

  268