Procedurele milieurechten en diepzeemijnbouw

Klaas Willaert en Hendrik Schoukens toetsen het relevant internationaalrechtelijk kader en de Belgische wetgeving inzake diepzeemijnbouw aan de internationale regels inzake transparantie, publieke participatie en toegang tot de rechter. Hun bijdrage is op 15 januari 2020 verschenen in aflevering 414 van het Nieuw Juridisch Weekblad (NjW).

Gepubliceerd op 15-01-2020

The next frontier

Diep verscholen onder het wateroppervlak, voorbij de grenzen van de nationale jurisdictie, ligt de diepzeebodem. Binnen het internationaal recht wordt dit gebied gekwalificeerd als ‘gemeenschappelijk erfgoed van de mensheid’, wat onder meer resulteert in strikte regels die bepalen wie de aanwezige natuurlijke rijkdommen kan exploiteren en op welke manier. Hoewel commerciële mijnbouw voorlopig nog niet aan de orde is, heeft de vondst van grote voorraden kostbare mineralen deze terra incognita immers omgetoverd tot het El Dorado van de 21e eeuw.

zee

De algemene principes zitten vervat in het Internationaal Zeerechtverdrag van 1982 en de navolgende Implementatieovereenkomst van 1994, maar worden verder uitgewerkt in specifieke regels en procedures van de Internationale Zeebodemautoriteit. De waarde van nationale wetgeving kan trouwens evenmin onderschat worden, aangezien diepzeemijnbouwbedrijven gesponsord moeten worden door de staat waarvan ze de nationaliteit dragen. Zowel in het internationaal recht als in de nationale regelgeving blijken echter onvoldoende garanties aanwezig op vlak van transparantie, publieke participatie en toegang tot de rechter.

Transparantie, publieke participatie en toegang tot de rechter

De principes van transparantie, participatie en rechtsbescherming zijn de voorbije decennia steeds meer op de voorgrond getreden binnen het internationaal milieurecht. Na reeds lang onderhuids aanwezig te zijn, werden deze beginselen geëxpliciteerd in Beginsel 10 van de Verklaring van Rio van 1992. Een concretere, juridisch bindende uitwerking volgde in het verdrag van Aarhus van 1998, dat het principe van de milieudemocratie onderschreef door procedurele milieurechten toe te kennen aan het ruimere publiek. Wanneer we deze basisregels echter als toetssteen gebruiken voor het diepzeemijnbouwregime, zien we dat er op internationaal en nationaal vlak duidelijke tekortkomingen zijn, zowel in de huidige exploratiefase als met betrekking tot de nakende exploitatie. Ondanks duidelijke verbeteringen op vlak van transparantie en participatie, blijft de slagkracht van derde-belanghebbenden immers relatief beperkt. Mogelijk nog kwalijker is het gebrek aan effectieve rechtsbescherming, gelet op de afwezigheid van beroepsprocedures voor milieuverenigingen, waardoor vergunningen immuun blijken te zijn voor enige contestatie. Hoewel er geen eenvoudige oplossingen bestaan, moeten transparantie, publieke participatie en toegang tot de rechter dus dringend een prominentere plaats krijgen in het diepzeemijnbouwregime.

Besluit

Gelet op de huidige ontwikkelingen in het internationaal recht, lijkt het er steeds meer op dat het voorzien van effectieve transparantie, publieke participatie en toegang tot de rechter niet langer een aanbeveling, maar een juridische verplichting vormt. De status van de diepzeebodem en zijn natuurlijke rijkdommen als ‘gemeenschappelijk erfgoed van de mensheid’ versterkt dit argument: als het ruimere publiek hier geen inspraak wordt geboden, waar dan wel?

 

De auteurs

Klaas Willaert is doctor-assistent aan de vakgroep Europees, publiek en internationaal recht (UGent).

Hendrik Schoukens is doctor-assistent aan de Vakgroep Europees, publiek en internationaal recht (UGent) en advocaat.

willaert-klaas
Klaas Willaert
schoukens-hendrik-2
Hendrik Schoukens

 

 

  445