Paradigmaverschuiving in de Vlaamse stedenbouwhandhaving

Peter De SmedtPeter De Smedt bestudeert grondig het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning. Zijn doctrinebijdrage verscheen in afleveringen 317 en 318 van het Nieuw Juridisch Weekblad (NjW) van 25 februari en 11 maart 2015. Eerst behandelt hij de handhaving in de preventieve fase, met name de raadgeving, de aanmaning en het bestuurlijk stakingsbevel. vervolgens onderezoekt hij de herstelmaatregelen en het programmatorisch handhaven. Hierna vindt u een samenvatting van deze bijdrage.

Lees het volledige artikel op Jura.

Copernicaanse omwenteling
Met het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning (BS 27 augustus 2014), beoogt de decreetgever dat de handhaving in de ruimtelijke ordening en de milieuhandhaving compatibel zijn met elkaar. Dat is nodig omdat de eengemaakte omgevingsvergunning een op elkaar afgestemde handhaving noodzakelijk maakt. Het decreet voert dan ook een grondige hervorming van de handhaving in de ruimtelijke ordening door. Er wordt, naar het voorbeeld van de milieuhandhaving, een zwaarwegend luik 'bestuurlijke handhaving' ingevoerd. Het gros van de bepalingen zal echter pas in werking treden na de inwerkingtreding van het handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening.

Depenaliseringsgolf
Voortaan wordt een onderscheid gemaakt tussen stedenbouwkundige inbreuken en misdrijven. De inbreuken zijn gedepenaliseerde misdrijven. De lijst van inbreuken is vastgesteld in het decreet, en bevat onder meer de miskenning van de stedenbouwkundige informatieplichten, de overtreding van de meldingsplicht, alsook de instandhouding van werken in ruimtelijk kwetsbare gebieden. De inbreuken worden bestuurlijk vervolgd en gesanctioneerd met exclusieve bestuurlijke geldboete. Milieumisdrijven worden in beginsel strafrechtelijk vervolgd en bestraft, tenzij de procureur des Konings beslist om de zaak niet strafrechtelijk te behandelen. Dan kan de gewestelijke beboetingsambtenaar een alternatieve bestuurlijke geldboete opleggen. Tegen de bestuurlijke boete is beroep mogelijk bij het Handhavingscollege, de rechtsopvolger van het Milieuhandhavingscollege.

Herstel via een tweesporentraject
Het decreet beklemtoont het belang van de preventieve handhavingsfase. Dit gebeurt met de raadgeving, de aanmaning en het stakingsbevel. Indien preventie faalt, komt men in de curatieve handhavingsfase waar niet enkel bestraffende sancties maar ook rechtsherstellende instrumenten worden ingezet. Zowel op een stedenbouwkundig misdrijf als op een stedenbouwkundige inbreuk kan een herstelmaatregel worden geënt, dit volgens een nieuwe, strikte rangorde. Het gaat, zoals voorheen, om het herstel in de oorspronkelijke toestand, aanpassingswerken en de meerwaarde. De herstelmaatregelen kunnen voortaan worden opgelegd via een gerechtelijk en een bestuurlijk spoor. Het gerechtelijke traject heeft wel voorrang op het bestuurlijke. In het gerechtelijk herstelspoor wordt de herstelvordering van nu af aan ingeleid door de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester. Het gerechtelijk herstel dat wordt ingeleid door het bestuur moet steeds worden voorafgegaan door een positief advies van de Hoge Raad voor Handhavingsuitvoering, de rechtsopvolger van de Hoge Raad voor Handhavingsbeleid. Nieuw is dat het herstel ook kan worden gevorderd door het openbaar ministerie, en zelfs ambtshalve kan worden opgelegd door de rechtbank. Het decreet vult het gerechtelijk herstelspoor aan met een bestuurlijke handhavingsspoor. Dat bevat de ‘bestuursdwang’ en de ‘last onder dwangsom’. Deze bestuurlijke maatregelen zijn inhoudelijk dezelfde als de gerechtelijke herstelmaatregelen. Hier is echter geen voorafgaand positief advies van de Hoge Raad voor Handhavingsuitvoering vereist.

Conclusie
Met behulp van de bestuurlijke handhaving kan ook in de ruimtelijke ordening wellicht sneller dan via strafrechtelijke handhaving zorg worden gedragen voor het verbeteren van de feitelijke situatie. De uitdaging is ook groot want het jarenlang opgebouwd handhavingsdeficit is nog niet helemaal weggewerkt, terwijl de nieuwe regelgeving noopt tot een wijziging van de handhavingscultuur binnen de ruimtelijke ordening. Nochtans zullen ook een aantal juridische onzuiverheden en knelpunten in de nieuwe decreettekst moeten worden uitgeklaard. Een aantal beleidskeuzes, zoals het verschil in toepassing van het adviesvereiste van de Raad voor Handhavingsuitvoering naargelang het gaat om gerechtelijke of bestuurlijke herstelmaatregelen, zijn in het licht van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel niet evident.


 


De auteur is advocaat LDR, wetenschappelijk medewerker Centrum voor milieurecht en energierecht (UGent en Utrecht Centre for Water, Oceans and Sustainability Law) en lid van de Vlaamse Hoge handhavingsraad voor ruimte en milieu (VHHRM).

Bron: Peter DE SMEDT, "Vlaamse stedenbouwhandhaving. Eerste beschouwingen bij het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning", NjW deel 1: 2015, afl. 317, 130-143, deel 2: 2015, afl. 318, 178-192.

De volledige tekst vindt u in het Nieuw Juridisch Weekblad (NjW). Klik hier voor meer informatie over het Nieuw Juridisch Weekblad (NjW), alsook voor de abonnementsvoorwaarden.

NjW kan ook gelezen worden op smartphone en tablet. Wie al een abonnement heeft op de papieren versie geniet van een voordeeltarief. Klik hier voor meer informatie over NjW mobiel.

>>> Als u nu een jaarabonnement neemt op NjW ontvangt u gratis het volledige artikel van Peter De Smedt in pdf-formaat. Zend hiervoor een e-mail met vermelding van alle vereiste contactgegevens voor de levering en facturatie van uw abonnement naar: njw@wolterskluwer.be.

De website van NjW: www.e-njw.be

U kunt de tekst van Peter De Smedt integraal lezen in elektronische vorm via Jura.

Op Jura vindt u meer rechtsleer over stedenbouwhandhaving.

 

Gepubliceerd op 18-03-2015

  138