Nieuwe handhavingsregeling voor het omgevingsrecht

Het Handhavingsbesluit Ruimtelijke Ordening liet de toezichts- en handhavingsregels uit het Decreet Handhaving Omgevingsvergunning op 1 maart 2018 in werking treden. Nu al zijn de voornaamste krachtlijnen van dit nieuwe ‘handhavingsinstrumentarium ruimtelijke ordening’ geanalyseerd en opgelijst in het Zakboekje Handhaving Ruimtelijke Ordening. We vroegen auteur Geert Van Hoorick, die samen met Paul Vansant het volledig boek herwerkte, naar de mogelijke impact van de nieuwe handhavingsregeling voor het omgevingsrecht.

Gepubliceerd op 29-03-2018

van-hoorick-geert-kl
Geert Van Hoorick

Op 1 maart 2018 is het Handhavingsbesluit Ruimtelijke Ordening van 9 februari 2018 in werking getreden. Vooral de introductie van bestuurlijke handhaving en zachte handhaving valt op. Hoe schat u de gevolgen hiervan in op de dagelijkse praktijk van de toezichthouders?

‘De mogelijkheid om herstelmaatregelen, zoals de afbraak van een onwettig bouwwerk, op te leggen via bestuurlijke maatregelen (last onder dwangsom, bestuursdwang) is wellicht de belangrijkste innovatie. Dit zal in de toekomst steeds meer aan invloed gaan winnen, want dit verloopt sneller en efficiënter dan wanneer het herstel langs gerechtelijke weg moet worden opgelegd.

De invoering van zachte handhavingsinstrumenten (raadgeving en aanmaning) biedt mogelijkheden om gevallen waar de toezichthouders worden ingeschakeld in burenruzies waarbij de belangen van de ruimtelijke ordening minimaal zijn, vlugger af te handelen. Op die manier kan er meer energie worden gestoken in misdrijven en inbreuken die ernstige ruimtelijke gevolgen hebben.’

De decreetgever zocht voor het bestuurlijke handhavingsspoor ruimtelijke ordening duidelijk inspiratie in het Vlaamse milieurecht. Toch lijkt er nog een groot verschil in handhavingscultuur te bestaan tussen de milieu-inspectie en bouwinspectie?

‘Dat klopt. Het verschil hangt grotendeels samen met de mogelijkheid om, zeker in het begin, via zachte handhavingsinstrumenten op te treden, bijvoorbeeld met raadgevingen. In milieuzaken is dat al gebruikelijk. De toekomst zal uitwijzen of deze instrumenten ook zullen werken bij stedenbouwkundige misdrijven of inbreuken. Wellicht zullen de diverse handhavers van elkaar gaan bijleren, en dat is op zich positief.’

Dat doet beleidmakers wellicht dromen om ook voor andere aspecten van het omgevingsbeleid, zoals het planbeleid en het handhavingsbeleid, tot een sterkere integratie te komen van milieu, ruimtelijke ordening, onroerend erfgoed, woonbeleid, ... Maar is de omgevingsexpert, zeg maar de multi-inzetbare specialist in al deze rechtsdisciplines, daar klaar voor?

‘Een integratie van beleid en recht is één zaak. Maar een mens kan geen expert zijn in al deze materies, of hij moet bovenaardse krachten hebben zoals superman. Het is onvermijdelijk dat experten vanuit verschillende achtergronden (architectuur, biologie, bio-ingenieur, enz.) bij het omgevingsbeleid zullen betrokken blijven. En wat de juristen betreft, is het belangrijk dat minstens aan één universiteit (en liefst meer) de verschillende rechtsdisciplines die met het omgevingsbeleid te maken hebben, aangeboden blijven worden. Daar blijkt overigens zeker bij de rechtenstudenten voldoende interesse voor.’

Welke belangrijke ontwikkelingen mogen we de volgende jaren in het omgevingsrecht verwachten?

‘Naast een aantal nieuwe elementen waar de minister over spreekt – het geïntegreerd natuurbeheer, de ontwikkeling van de Woningpas, het Instrumentendecreet – vermoed ik dat er nog gesleuteld moet worden aan het Decreet Handhaving Omgevingsvergunning. Want de wijzigingen die de Codextrein in dat decreet heeft geïntroduceerd, getuigen niet steeds van veel legistieke kwaliteit. Maar ook waar de nieuwe regelgeving onduidelijk is, is het zakboekje een goede gids. (lacht)’

ruimtelijke-ordening
  551