Mogelijkheid van RvS tot toekennen van herstelschadevergoeding ontleed

De wet van 20 januari 2014 heeft een aantal fundamentele wijzigingen aangebracht op het vlak van de bevoegdheid, de procedureregeling en de organisatie van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Zo kan de Raad van State sindsdien schadevergoedingen tot herstel toekennen.

Gepubliceerd op 07-08-2017

_dsc0102

Sommige van de wijzigingen uit de wet van 20 januari 2014 waren belangrijk voor het bestuur en de efficiënte werking ervan. Andere maatregelen moesten voor een verdieping van de rechtsbescherming van de burger zorgen: maatregelen met het oog op een meer definitieve geschillenbeslechting of innovatieve maatregelen zoals die over de schadevergoeding tot herstel. Sommige maatregelen bouwden voort op wat al bestond, andere waren nieuw en zelfs baanbrekend te noemen.


Sinds 2014 kan de Raad van State ook een rechtsplegingsvergoeding toekennen, zoals dat al langer kon bij de justitiële rechter. In die invoering, tegelijk met de toenemende ‘subjectivering’ van het vernietigingscontentieux voor de Raad van State zien sommigen een bijkomende bevestiging dat bevoegdheidssferen van de justitiële en de administratieve rechtsmachten naar elkaar toegroeien.


Maar wat dan te zeggen over het nieuwe artikel 11bis RvS-Wet die de bevoegdheid bevat om een ‘schadevergoeding tot herstel’ toe te kennen wanneer de Raad van State vooraf bij een annulatieberoep heeft vastgesteld dat aan een bestuurshandeling een onwettigheid kleeft? Die nieuwe bevoegdheid van de Raad van State was tegelijk revolutionair en onbekend.


Revolutionair omdat tot dan toe werd aangenomen dat geschillen over burgerlijke rechten tot de uitsluitende bevoegdheid van de justitiële rechter behoorden. Sinds artikel 144 Gw. een tweede lid kreeg, dat de Raad van State of de federale administratieve rechtscolleges kan machtigen ‘om te beslissen over de burgerrechtelijke gevolgen van hun beslissingen’, was die uitsluitende bevoegdheid van de justitiële rechter niet langer absoluut… Of zoals de Raad van State het zelf in één van zijn vele arresten in eenvoudige bewoordingen uitdrukte: ‘…, lorsque la section du contentieux administratif du Conseil d’État est saisie d’une demande d’indemnité réparatrice, elle statue, non pas sur un contentieux objectif, mais sur un contentieux de droits civils; que telle est la volonté du Constituant; …’ (RvS 24 januari 2017, nr. 237.118, VZW L’Érablière).


De nieuwe bevoegdheid over de schadevergoeding tot herstel was bovendien onbekend. Het ‘succes’ of de populariteit ervan zou immers in een belangrijke mate afhangen van de manier waarop de Raad van State die bevoegdheid zou gebruiken in de praktijk. Dat was zonder meer een boeiende vraag, aangezien de Raad niet veel ervaring had met de toch wel specifieke technieken waarmee vorderingen tot schadevergoeding kunnen gepaard gaan.

tbpr-mi17006_cover_final_page_1

Het is voor de afdeling Staats- en Bestuursrecht van de Vakgroep Publiek Recht van de Vrije Universiteit Brussel een eer en een genoegen om in het nieuwe nummer van het TBP een overzicht te kunnen geven van de manier waarop de Raad van State de afgelopen drie jaar in zijn rechtspraak is omgegaan met de maatregelen die zijn vervat in de hervormingswet van 2014. De lezer zal in dit nummer van het tijdschrift dan ook een aantal antwoorden kunnen vinden die veelvuldig werden opgeworpen in de loop van het totstandkomingsproces van de betrokken wet en sinds de bekendmaking ervan.


De auteurs van de teksten uit dit nummer van TBP - Frederic Eggermont, Eric Brewaeys, Marnix Van Damme en Benny De Sutter, Kaat Leus en Aube Wirtgen - hebben ook meegewerkt aan de studiedag die op 13 oktober 2017 aan de VUB wordt georganiseerd, over de rechtspraak van de Raad van State sinds de hervormingswet van 2014.


In de betrokken teksten wordt de rechtspraak van de Raad van State minutieus besproken en geanalyseerd. De lezer zal in de teksten dan ook een schat aan informatie en verwijzingen naar de rechtspraak en de rechtsleer van de voorbije periode van drie jaar vinden. Het feit dat alle auteurs heuse ‘ervaringsdeskundigen’ zijn en ook hun wetenschappelijke sporen hebben verdiend, staat borg voor de kwaliteit van de teksten op zowel wetenschappelijk als praktijkgericht vlak. Naast gekende bestuursrechtelijke publicisten en academici zijn alle auteurs bovendien magistraat of personeelslid bij de Raad van State of in het publiek recht gespecialiseerd advocaat.

 

Deze tekst is een verkorte en bewerkte versie van het voorwoord uit het themanummer.

Auteurs: Marnix Van Damme en Aube Wirtgen

  487