Milieucodex breidt uit met titel over exploitatie en erkenningen

Alle bepalingen uit het huidige Milieuvergunningsdecreet die te maken hebben met het aanvragen van een vergunning of het verrichten van een melding, worden opgenomen in het nieuwe Omgevingsvergunningsdecreet. De niet-procedurele bepalingen uit het Milieuvergunningsdecreet worden als een nieuwe titel V ‘Exploitatie van inrichtingen en activiteiten en erkende personen’ ondergebracht in de Milieucodex DABM.

De huidige titel V, met het opschrift ‘ Algemene, sectorale en integrale milieuvoorwaarden ’ is nooit in werking getreden en wordt opgeheven.

INHOUD VAN HET DABM

Het ‘Decreet houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (DABM) bestaat nu uit de volgende titels:

  • I. Algemene bepalingen
  • II. Besluitvorming en inspraak
  • III. Bedrijfsinterne milieuzorg
  • IV. Milieueffect- en veiligheidsrapportage
  • V. Exploitatie van inrichtingen en activiteiten en erkende personen
    • Hoofdstuk 1. – Definities en doelstelling
    • Hoofdstuk 2. – Algemene bepalingen inzake vergunnings- en meldingsplicht
    • Hoofdstuk 3. – Beoordelingscriteria
    • Hoofdstuk 4. – Milieuvoorwaarden en evaluaties
    • Hoofdstuk 5. – Genetisch gemodificeerde organismen of pathogene organismen
    • Hoofdstuk 6. – Erkenningen
  • VI. Milieubeleidsovereenkomsten
  • VII.
  • VIII. Klimaat
  • IX.
  • X. Agentschappen
  • XI. Strategische advisering
  • XII. t.e.m. XIV
  • XV. Milieuschade
  • XVI. Toezicht, handhaving en veiligheidsmaatregelen

De nieuwe titel V heeft een dubbel doel:

  • de mens en het milieu te beschermen tegen onaanvaardbare risico’s en hinder, afkomstig van de exploitatie van ingedeelde inrichtingen en activiteiten; en
  • een erkenning in te stellen voor het uitoefenen van bepaalde functies, het verstrekken van opleidingen, het nemen van monsters en het uitvoeren van metingen, beproevingen en analyses door rechtspersonen of natuurlijke personen.

De nieuwe titel zegt ook waaruit de ‘risico’s en hinder’ kunnen bestaan en welke aspecten allemaal onder het begrip ‘milieu’ vallen: atmosfeer, bodem, water, ecosystemen, landschappen,…

INRICHTING, ACTIVITEIT EN INGEDEELDE INRICHTING
De decreetgever maakt voortaan een expliciet onderscheid tussen ‘inrichtingen’ en ‘activiteiten’. Een inrichting slaat op de materiële middelen die worden ingezet om een activiteit uit te voeren. Inrichtingen worden dan ook gedefinieerd als “de bedrijven, werkplaatsen, opslagplaatsen, installaties, machines en toestellen, als omschreven in de indelingslijst”.

Onder ‘activiteiten’ verstaat men “de werken en handelingen, vermeld in de indelingslijst”. Activiteiten kúnnen plaatsgrijpen in, of met behulp van een inrichting, maar kunnen ook zonder inrichting plaatsvinden, bijvoorbeeld het lozen van afvalwater buiten het terrein waar de inrichting zich bevindt.


Omdat de begrippen ‘inrichting’ en ‘ingedeelde inrichting’ nogal eens door elkaar gehaald worden, wordt er in de Milieucodex voor het eerst een definitie ingevoerd van het begrip ‘ingedeelde inrichting of activiteit’. Dat is:

  • 'een inrichting of activiteit en de aanhorigheden ervan op een bepaalde locatie, of,
  • in voorkomend geval, meerdere inrichtingen of activiteiten en de aanhorigheden ervan op een bepaalde locatie die voor hun exploitatie als een samenhangend technisch geheel moeten worden beschouwd.
    Het feit dat verschillende inrichtingen en activiteiten een verschillend eigendomsstatuut hebben, belet niet dat ze door hun onderlinge technische samenhang als één ingedeelde inrichting of activiteit kunnen worden beschouwd.'

De nieuwe titel bevat ook nog een omschrijving van de ‘mobiele en verplaatsbare inrichtingen of activiteiten’ en van de ‘tijdelijke inrichtingen en activiteiten’. Mobiele inrichtingen hebben een eigen beweegkracht (bv. een binnenschip); een verplaatsbare inrichting heeft dat niet. Het hoofdkenmerk van een tijdelijke inrichting of activiteit is dat zij geen blijvende gevolgen mag hebben voor mens of milieu.

De indelingslijst is dan de lijst die de Vlaamse regering heeft opgesteld en die is opgebouwd uit rubrieken en subrubrieken met een omschrijving van alle inrichtingen en activiteiten die ernstige risico’s of hinder voor de mens en het milieu kunnen inhouden. In de indelingslijst bepaalt de Vlaamse regering voor elke inrichting of activiteit, of ze van eerste, tweede of derde klasse is. In de eerste klasse vinden we de inrichtingen of activiteiten met de grootste risico’s of hinder. In de derde klasse vallen de inrichtingen of activiteiten met de minste risico’s of hinder. In de indelingslijst wijst de regering ook de inrichtingen en activiteiten aan die tijdelijk, mobiel of verplaatsbaar zijn.

Voor de exploitatie of verandering (d.i. het wijzigen, uitbreiden of aanvullen) van een ingedeelde inrichting of activiteit van klasse 1 of 2 is voortaan een omgevingsvergunning vereist. Voor de exploitatie of verandering van een klasse 3-inrichting of -activiteit is een meldingsakte nodig.

ALGEMENE, SECTORALE EN BIJZONDERE MILIEUVOORWAARDEN
EnvironmentDe Vlaamse overheid krijgt de opdracht om algemene en sectorale milieuvoorwaarden vast te leggen. De nieuwe titel V van het DABM vormt dan ook de rechtsgrond voor Vlarem 2.

De regering kán ook milieuvoorwaarden opleggen voor niet-ingedeelde inrichtingen of activiteiten ter bescherming van de mens en het milieu tegen bepaalde vormen van hinder of risico’s.

Alle milieuvoorwaarden worden op de beste beschikbare technieken gebaseerd. Waar mogelijk, wijzen de algemene en sectorale milieuvoorwaarden de concrete doelstellingen aan die bereikt moeten worden, veeleer dan de middelen die daarvoor moeten worden ingezet.

Een voorontwerp van besluit van de Vlaamse regering inzake de vaststelling van algemene en sectorale voorwaarden wordt gedurende 30 dagen gepubliceerd op de website van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie (LNE), waar iedereen terecht kan met opmerkingen of bezwaren. De tekst kan ook geraadpleegd worden bij de afdeling Vergunningen. Iedereen krijgt dus recht van inspraak in de zogenaamde ‘Vlarem-treinen’.

Titel V verduidelijkt ook de verhouding tussen de algemene, sectorale en bijzondere milieuvoorwaarden. De sectorale milieuvoorwaarden vullen de algemene milieuvoorwaarden aan of stellen bijkomende eisen. De sectorale milieuvoorwaarden zullen in de regel strenger zijn dan de algemene milieuvoorwaarden, maar zij kunnen om technische redenen ook in minder strenge zin afwijken van de algemene milieuvoorwaarden, in de gevallen die de Vlaamse regering bepaalt.

De bijzondere milieuvoorwaarden worden in de omgevingsvergunning zelf opgelegd. Zij vullen op hun beurt de algemene of sectorale milieuvoorwaarden aan of kunnen bijkomende eisen opleggen. Zij kunnen eveneens strenger zijn dan de algemene of sectorale milieuvoorwaarden – tenzij de Vlaamse regering anders bepaalt – of kunnen om technische redenen in minder strenge zin afwijken in de gevallen die de Vlaamse regering bepaalt.

Als de Vlaamse regering nieuwe algemene of sectorale milieuvoorwaarden oplegt, geldt er – verplicht – een overgangstermijn voor de bestaande inrichtingen of activiteiten. De strengere bijzondere milieuvoorwaarden uit de vergunning blijven echter onverminderd van kracht.

De Vlaamse regering krijgt de bevoegdheid om de grenzen te bepalen waarbinnen individuele afwijkingen op de algemene of sectorale milieuvoorwaarden kunnen worden toegestaan.

PERIODIEKE EN SPECIFIEKE EVALUATIES
De nieuwe titel V van het DABM stelt een systeem van specifieke evaluaties in voor álle ingedeelde inrichtingen, en een systeem van bijkomende periodieke evaluaties voor de GPBV-inrichtingen. GPBV-inrichtingen of IPPC-bedrijven worden in de vierde kolom van de indelingslijst aangeduid met en letter ‘X’.

De specifieke evaluatie zal plaatsvinden: “als gevolg van ontwikkelingen op het gebied van de beste beschikbare technieken (BBT) en de bekendmaking van nieuwe of bijgewerkte BBT-conclusies of van programma’s of plannen die de Vlaamse regering heeft goedgekeurd ter bescherming van de mens en het milieu”.

Als uit de toetsing blijkt dat de milieuvoorwaarden moeten worden bijgesteld, kan de instantie die bevoegd is voor de uitvoering van de evaluatie – gemeente, provinciale omgevingsvergunningscommissie of gewestelijke omgevingsvergunningscommissie – een verzoek tot bijstelling van de milieuvoorwaarden indienen bij de vergunningverlenende overheid (art. 82 e.v. Omgevingsverguningsdecreet).

De Europese Unie legt voor de GPBV-installaties een regime van periodieke integrale evaluaties op. Ongeveer om de 8 jaar. Net als bij de specifieke evaluatie kan de periodieke evaluatie uitmonden in een verzoek tot bijstelling van de milieuvoorwaarden.

De afdeling Vergunningen van LNE stelt een ‘voortschrijdend meerjarenprogramma’ voor evaluatie op voor de komende 5 jaar. Meer bepaald voor de projecten waarvoor het gewest of de deputaties bevoegd zijn. Het programma zal, volgens de toelichting bij het decreet, overlegd worden met de andere milieuoverheden (OVAM, VMM,…) en zal afgestemd worden op de programmatorische aanpak voor de milieuhandhaving.

Voor de projecten waarvoor de gemeenten bevoegd zijn, moet het college van burgemeester en schepenen een voortschrijdend meerjarenprogramma uitwerken voor de komende 5 jaar. Nog volgens de toelichting bij het ontwerp van decreet zullen de gemeentes het advies van de provinciale omgevingsvergunningscommissie (POVC) kunnen vragen over complexe inrichtingen van tweede klasse.

Het voortschrijdend meerjarenprogramma zelf, de uitvoeringsgraad ervan, en de conclusies van de uitgevoerde evaluaties zullen elk jaar gepubliceerd worden.

ERKENNINGEN
Het tweede luik van de nieuwe DABM-titel V herneemt de bepalingen uit het Milieuvergunningsdecreet over de erkenningen, zonder wijzigingen, en vormt zo de basis voor het Vlarel.

NIEUWE TAAK VOOR DE MILIEUCOÖRDINATOR
In de nieuwe Milieucodex is er consequent sprake van ingedeelde ‘inrichtingen of activiteiten’ in plaats van louter ingedeelde ‘inrichtingen’. Zo moeten de exploitanten van ‘inrichtingen of activiteiten’ van eerste klasse een milieucoördinator aanstellen. En de Vlaamse regering wijst de inrichtingen of activiteiten van tweede klasse aan waarvoor de exploitant een milieucoördinator moet aanstellen. Daarnaast kan de vergunningverlenende overheid ook nog altijd zelf beslissen dat er een milieucoördinator moet worden aangesteld, als de aard van de inrichting, de aard van de milieu-effecten die ervan uitgaan, of de plaats waar de inrichting gelegen is of waar de activiteit wordt uitgeoefend, dit verantwoordt.


De milieucoördinator krijgt er bovendien een nieuwe taak bij. Hij is voortaan ook verplicht om zijn medewerking te verlenen en informatie aan te reiken:

  • bij de uitvoering van de specifieke evaluaties over de noodzaak tot het al of niet bijstellen van de milieuvoorwaarden als gevolg van ontwikkelingen op het vlak van de beste beschikbare technieken en van de bekendmaking van nieuwe of bijgewerkte BBT-conclusies enerzijds, of van programma’s en plannen die Vlaamse regering heeft goedgekeurd ter bescherming van de mens en het milieu anderzijds; en
  • bij de uitvoering van de periodieke integrale evaluaties over de noodzaak tot het bijstellen van de milieuvoorwaarden voor GPBV-installaties.


De Vlaamse regering zal nog zeggen welke extra informatie de exploitant of milieucoördinator moet overmaken aan het Comité voor preventie en bescherming op het werk, aan de vakbondsafvaardiging of aan de werknemers, in uitvoering van het Omgevingsvergunningsdecreet (vergunningverlening en eventuele bijstelling van de vergunning) en van de nieuwe titel V van het DABM over de exploitatie en de erkenningen.
De regering zal ook regels uitvaardigen met het oog op het overleg over de bedrijfsinterne milieuzorg tussen de exploitant, de afgevaardigde of de milieucoördinator enerzijds, en het Comité voor preventie en bescherming op het werk, de vakbondsafvaardiging of werknemers anderzijds.

GEEN PROJECT-MER OF OVR-RAPPORT BIJ LOUTERE HERNIEUWING OF BIJSTELLING VAN VERGUNNING
Projecten moeten in principe onderworpen worden aan milieueffectrapportage (project-mer) vooraleer er een (omgevings)vergunning kan worden verleend voor de vergunningsplichtige activiteit die het voorwerp uitmaakt van het project. Voor hogedrempelinrichtingen of Sevesobedrijven moet er normaal gezien een omgevingsveiligheidsrapport (OVR) worden opgesteld.


Het Omgevingsvergunningsdecreet verduidelijkt echter dat er géén project-mer moet worden opgemaakt:

  • voor de loutere hernieuwing van een omgevingsvergunning van bepaalde duur; of
  • voor de omzetting van een oude milieuvergunning die toegekend werd op of na 10 september 2002 voor een duur van 20 jaar, in een vergunning van onbepaalde duur.


Er is echter wél een project-mer nodig als de hernieuwing of omzetting betrekking heeft op activiteiten die fysieke ingrepen in het leefmilieu tot gevolg hebben. Fysieke ingrepen op het milieu zijn bijvoorbeeld reliëfwijzigingen, het opvullen van putten of stortplaatsen, bronbemalingen of ontbossingen.

Het decreet zegt ook dat er géén omgevingsveiligheidsrapport moet worden opgemaakt bij een loutere hernieuwing van de omgevingsvergunning.

AANMELDING VOLSTAAT VOOR PROJECT-MER OF OVR
Het Omgevingsvergunningsdecreet integreert de procedure van de project-mer en van het OVR in het gewone vergunningstraject. Als de vergunningsaanvraag een milieueffectrapport of een omgevingsveiligheidsrapport omvat, behandelt het openbaar onderzoek ook de inhoud van die rapporten. Er is dus geen aparte publieksraadpleging meer nodig.

Vandaar dat het uitgebreide kennisgevingsdossier over de project-mer of het OVR kan worden vervangen door een beknopter aanmeldingsdossier. De aanmelding is enkel bedoeld om de administratie op de hoogte te brengen van het feit dat er een project-mer of OVR in opmaak is.

De initiatiefnemer krijgt de mogelijkheid om aan de administratie te vragen om zijn project-mer of OVR op inhoudelijke kwaliteit af te toetsen, vooraleer hij zijn vergunningsaanvraag indient.
Dat leidt dan tot een voorlopige goed- of afkeuring.
Zo vermijdt de vergunningvrager dat de Dienst MER/VR het dossier uiteindelijk nog afkeurt en de hele vergunningsprocedure moet worden stopgezet.

De Vlaamse regering zal in een uitvoeringsbesluit nog bepalen welke termijnen van toepassing zijn.

IN WERKING?
Het is nog niet bekend wanneer de bepalingen van het nieuwe Omgevingsvergunningsdecreet, en dus ook van de nieuwe titel V van de Milieucodex, in werking zullen treden. Dat zal nog door de Vlaamse regering worden bepaald.

Carine Govaert

Decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, BS 23 oktober 2014 (art. 136 e.v. Omgevingsvergunningsdecreet).

Gepubliceerd op 27-10-2014

  239