Lokale besturen worden moderne overheidsbedrijven

"Legistiek is er een wervelwind voorbijgeraasd"

Het langverwachte Decreet Lokaal Bestuur trad op 1 januari 2019 in werking. Betekent het nieuwe decreet een revolutie voor de lokale besturen? "Heel wat basisprincipes blijven dezelfde en de meeste wijzigingen waren voor de lokale besturen al duidelijk door het Vlaams regeerakkoord en de diverse conceptnota’s van minister Homans", zegt Brecht Warnez. "Op legistiek vlak is er echter een wervelwind voorbijgeraasd."

Gepubliceerd op 15-01-2019

stempel

Wat zijn de meest ingrijpende wijzigingen?

‘Zowel het Gemeentedecreet en het OCMW-decreet als het Decreet Intergemeentelijke Samenwerking gingen op de schop en werden gebundeld in het nieuwe Decreet Lokaal Bestuur. Er zijn ook enkele inhoudelijk drastische keuzes gemaakt. Op een aantal vlakken heeft de decreetgever gekozen voor een slankere en eenvoudigere regelgeving. Het bundelen van de diverse decreten in één decreet heeft daarvoor gezorgd. In het bijzonder is er een grondige vereenvoudiging doorgevoerd in het bestuurlijk toezicht. 

Er werd afgestapt van het tweetrapstoezicht waarbij de schorsingsbevoegdheid wordt geschrapt. De gouverneur beschikt nu, onder het gezag en volgens de richtlijnen van de minister, onmiddellijk over een vernietigingstoezicht. Daarbij hoort een zwaardere publicatieverplichting die ruimer en sneller zal moeten zijn. Ook bijvoorbeeld op het vlak van participatie krijgen de gemeentebesturen meer ruimte. Voor de OCMW-werking worden een aantal zaken daarentegen complexer.’


Wat verandert er precies voor de OCMW’s?

‘Het bekvechten over de bevoegdheidsverdeling tussen de Vlaamse en de federale overheid heeft ertoe geleid dat de OCMW’s als rechtspersoon blijven bestaan. De decreetgever heeft zijn bevoegdheid wel maximaal uitgeput door de OCMW’s uit te hollen. Hoewel de rechtspersoon blijft bestaan, zullen de OCMW-bestuurders en -personeelsleden zo veel mogelijk identiek zijn aan hun gemeentelijke tegenhangers. Op politiek vlak wordt de OCMW-raad en het vast bureau net hetzelfde samengesteld als respectievelijk de gemeenteraad en het college van burgemeester en schepenen. Een nieuw bijzonder comité voor de sociale dienst beslist nu over de individuele steundossiers. De ambtelijke integratie betekent dat het OCMW en de gemeente nu aangestuurd worden door één ‘algemeen directeur’, wat de nieuwe naam is voor de gemeentesecretaris. Voor beide besturen is er maar één financieel beheerder, één organogram, één managementteam… Kortom, op personeelsvlak gaan we richting een OCMW dat enkel nog maatschappelijke werkers tewerkstelt.’

Vanuit juridisch standpunt kijk ik uit naar hoe de rechtbanken zullen omgaan met de nieuwe structuren bij de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden. De decreetgever heeft het aantal bestuurders bij de intercommunales drastisch willen verminderen waardoor heel wat gemeenten niet meer vertegenwoordigd zijn. Naar mijn mening staat dit op gespannen voet met de in house-doctrine die ervoor zorgt dat de transacties tussen de gemeenten en de intercommunales niet onder de algemene overheidsopdrachtenregels vallen.

Brecht Warnez

Zijn er ook kleinere aanpassingen die wat meer onder de radar bleven?

‘Er is natuurlijk het laatste jaar al heel wat gezegd en geschreven over het decreet lokaal bestuur. Er zijn zeker zaken die niet onmiddellijk in het oog springen maar wel relevant zijn. Ik denk bijvoorbeeld aan de verplichte rangorde tussen de gemeenteraadsleden, minder onverenigbaarheden voor die raadsleden, sterkere informatieverplichtingen ten aanzien van de gemeenteraad, de afschaffing van de verplichte commissie voor verzelfstandiging en samenwerking, wijzigingen aan de delegatiebevoegdheden van de raad aan het schepencollege, aanpassingen aan de tuchtprocedure, de modernisering en digitalisering voor de opmaak en ondertekening van akten, nieuwe bekendmakingsregels…

Daarnaast zijn er, onder meer door de integratie van het OCMW, heel wat aanpassingen aan de financiële beleidsrapporteringsregels. Beide besturen stellen nu gezamenlijk beleidsplannen op, met name de meerjarenplanning en de jaarrekening. Aangezien beide rechtspersonen blijven bestaan, zal voor het aangaan van de verbintenissen en de concrete ontvangsten en uitgaven wel nog een onderscheid moeten worden gemaakt in de beleidsrapporten. Dit maakt het geheel weer wat ingewikkelder. Daarnaast wordt het budget als afzonderlijk beleidsrapport afgeschaft en geïntegreerd in het meerjarenplan, zijn er extra informatieverplichtingen naar onder andere de gemeenteraad en wordt een aantal detailmaatregelen geschrapt.’

 

Was 1 januari 2019 – het moment waarop de nieuwe mandatarissen van start gingen – een goede timing om de nieuwe regelgeving van kracht te laten worden? Of veranderde er daardoor nogal veel in één keer?

‘Het is goed dat de wijzigingen samenvallen met een nieuwe legislatuur. Op politiek vlak is dat alvast een evidentie. Binnen de gemeentelijke administraties is het de laatste maanden hierdoor wel erg druk geweest: er was niet alleen de voorbereiding op het decreet lokaal bestuur, ook de verkiezingen en de daaropvolgende installatievergadering moesten worden georganiseerd. Daarnaast had de decreetgever al een aantal voorafnames gedaan om het nieuwe Decreet Lokaal Bestuur geleidelijk aan te kunnen integreren. Denk daarbij aan het Fusiedecreet, wijzigingen aan het Decreet Intergemeentelijke Samenwerking, de kiesregelgeving, het Gemeentefondsdecreet of wijzigingen in personeelsaangelegenheden.’

 

Hoe evalueert u het nieuwe Decreet Lokaal Bestuur? Ziet u nog knelpunten?

‘Het nieuwe decreet is zeker een positief verhaal waarbij de lokale besturen moderne overheidsbedrijven worden. Toch zijn er nu al wat onduidelijkheden in aanstellingsdossiers van bepaalde algemene directeurs en zijn er al zaken hangende over de overgangsbepalingen bij de tuchtbepalingen. Vanuit juridisch standpunt kijk ik ook uit naar hoe de rechtbanken zullen omgaan met de nieuwe structuren bij de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden. De decreetgever heeft – in de nasleep van de mediahetze – het aantal bestuurders bij de intercommunales drastisch willen verminderen. Het gevolg is dat heel wat (voornamelijk kleinere) gemeenten niet meer vertegenwoordigd zullen zijn in die samenwerkingsverbanden en dus niets meer zullen te zeggen hebben over de (dagelijkse) werking. Naar mijn mening staat dit minstens op gespannen voet met de in house-doctrine die ervoor zorgt dat de transacties tussen de gemeenten en de intercommunales niet onder de algemene overheidsopdrachtenregels vallen. Het lijkt me niet onwaarschijnlijk dat de Raad van State hierover zal oordelen dat de stringente overheidsopdrachtenreglementering wél van toepassing is. Dit zou alvast het einde betekenen voor de werking bij heel wat intercommunales.’

De auteur: Brecht Warnez

Brecht Warnez

Brecht Warnez is docent en doctorassistent bestuursrecht aan de UGent.

  641